Hoge Raad laat uitspraak over tijdstip optieverlening in stand
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiƫn tegen een uitspraak van Hof Amsterdam afgewezen. De procedure had betrekking op het tijdstip waarop een werknemer toegekende optierechten had aanvaard. De staatssecretaris verweet het Hof dat het buiten de rechtsstrijd was getreden door te oordelen dat de werknemer de optierechten in 2000 had aanvaard, na eerst te hebben vastgesteld dat de werknemer had verklaard de optierechten in 1999 te hebben aanvaard. Het oordeel van het Hof was echter dat de werknemer geen eenduidig antwoord kon geven op de vraag wanneer hij de optierechten had aanvaard, waarna het Hof vaststelde dat dit in 2000 was gebeurd toen de consequenties van (de aanvaarding van) de optierechten hem voldoende duidelijk waren geworden. Voortbordurende op de veronderstelling dat aanvaarding in 1999 had plaatsgehad meende de staatssecretaris dat het Hof ten onrechte aan de aanvaarding van het aanbod niet de totstandkoming van een overeenkomst had gekoppeld. Dat standpunt berustte echter op de veronderstelling dat de werknemer het aanbod in 1999 had aanvaard. Het Hof had dat niet vastgesteld.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiƫn tegen een uitspraak van Hof Amsterdam afgewezen. De procedure had betrekking op het tijdstip waarop een werknemer toegekende optierechten had aanvaard. De staatssecretaris verweet het Hof dat het buiten de rechtsstrijd was getreden door te oordelen dat de werknemer de optierechten in 2000 had aanvaard, na eerst te hebben vastgesteld dat de werknemer had verklaard de optierechten in 1999 te hebben aanvaard. Het oordeel van het Hof was echter dat de werknemer geen eenduidig antwoord kon geven op de vraag wanneer hij de optierechten had aanvaard, waarna het Hof vaststelde dat dit in 2000 was gebeurd toen de consequenties van (de aanvaarding van) de optierechten hem voldoende duidelijk waren geworden. Voortbordurende op de veronderstelling dat aanvaarding in 1999 had plaatsgehad meende de staatssecretaris dat het Hof ten onrechte aan de aanvaarding van het aanbod niet de totstandkoming van een overeenkomst had gekoppeld. Dat standpunt berustte echter op de veronderstelling dat de werknemer het aanbod in 1999 had aanvaard. Het Hof had dat niet vastgesteld.