Hoge Raad geeft eindoordeel winst bij vrijval pensioenverplichting
De Hoge Raad heeft een langlopende procedure over het afzien van pensioenaanspraken na de zetelverplaatsing van een BV beƫindigd. Eerder vernietigde de Hoge Raad een uitspraak van Hof Den Bosch en verwees hij de zaak naar Hof Arnhem. Hof Arnhem was van oordeel dat de waarde van de pensioenverplichting bij de overname juist was berekend. Omdat de mogelijkheid van afzien van de pensioenrechten pas na de overdracht daarvan aan de orde was vanwege het minderheidsbelang van de pensioengerechtigden in de overdragende vennootschap berekende Hof Arnhem de winst wegens de vrijval van de pensioenverplichting op hetzelfde bedrag als Hof Den Bosch eerder had gedaan. Volgens de Hoge Raad was deze uitspraak van Hof Arnhem juist. De zaak had betrekking op een BV die direct na haar oprichting in 1994 pensioenverplichtingen overnam van een andere vennootschap. De pensioengerechtigden waren de enige aandeelhouders van de nieuw opgerichte BV, terwijl zij slechts een bescheiden belang in de overdragende vennootschap hadden. Korte tijd later werd de feitelijke leiding van deze pensioen-BV verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De pensioenuitkeringen moesten op 1 december 1995 ingaan. Op 1 april 1996 zagen de pensioengerechtigden af van hun rechten op uitkering. Over de tussenliggende periode was geen uitkering gedaan. Volgens Hof Den Bosch was er sprake van een samenstel van rechtshandelingen dat was gericht op het vermijden van Nederlandse belastingheffing over de vrijval van de pensioenverplichtingen. Het afzien van de pensioenrechten leidde immers tot winst voor de BV. De belastingheffing over een dergelijke winst zou in Nederland beduidend hoger zijn geweest dan in de Antillen, omdat in Nederland de waarde van de pensioenverplichting tegen het normale vennootschapsbelastingtarief van 35% belast zou zijn geweest. Op de Antillen gold een speciaal tarief, waardoor de heffing te verwaarlozen was. Daarom moest bij de verplaatsing van de leiding van de BV rekening gehouden worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Door de verplaatsing eindigde de belastingplicht in Nederland van de overnemer en moest deze belasting betalen over de meerwaarden die op dat moment in haar vermogen aanwezig waren. Het Hof stelde de kans dat niet zou worden afgezien van de pensioenrechten op 5 %. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van Hof Den Bosch, omdat al bij de overdracht van de pensioenvoorziening of in ieder geval kort daarna rekening gehouden had moeten worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Het Hof had dat niet gedaan.
De Hoge Raad heeft een langlopende procedure over het afzien van pensioenaanspraken na de zetelverplaatsing van een BV beƫindigd. Eerder vernietigde de Hoge Raad een uitspraak van Hof Den Bosch en verwees hij de zaak naar Hof Arnhem. Hof Arnhem was van oordeel dat de waarde van de pensioenverplichting bij de overname juist was berekend. Omdat de mogelijkheid van afzien van de pensioenrechten pas na de overdracht daarvan aan de orde was vanwege het minderheidsbelang van de pensioengerechtigden in de overdragende vennootschap berekende Hof Arnhem de winst wegens de vrijval van de pensioenverplichting op hetzelfde bedrag als Hof Den Bosch eerder had gedaan. Volgens de Hoge Raad was deze uitspraak van Hof Arnhem juist. De zaak had betrekking op een BV die direct na haar oprichting in 1994 pensioenverplichtingen overnam van een andere vennootschap. De pensioengerechtigden waren de enige aandeelhouders van de nieuw opgerichte BV, terwijl zij slechts een bescheiden belang in de overdragende vennootschap hadden. Korte tijd later werd de feitelijke leiding van deze pensioen-BV verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De pensioenuitkeringen moesten op 1 december 1995 ingaan. Op 1 april 1996 zagen de pensioengerechtigden af van hun rechten op uitkering. Over de tussenliggende periode was geen uitkering gedaan. Volgens Hof Den Bosch was er sprake van een samenstel van rechtshandelingen dat was gericht op het vermijden van Nederlandse belastingheffing over de vrijval van de pensioenverplichtingen. Het afzien van de pensioenrechten leidde immers tot winst voor de BV. De belastingheffing over een dergelijke winst zou in Nederland beduidend hoger zijn geweest dan in de Antillen, omdat in Nederland de waarde van de pensioenverplichting tegen het normale vennootschapsbelastingtarief van 35% belast zou zijn geweest. Op de Antillen gold een speciaal tarief, waardoor de heffing te verwaarlozen was. Daarom moest bij de verplaatsing van de leiding van de BV rekening gehouden worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Door de verplaatsing eindigde de belastingplicht in Nederland van de overnemer en moest deze belasting betalen over de meerwaarden die op dat moment in haar vermogen aanwezig waren. Het Hof stelde de kans dat niet zou worden afgezien van de pensioenrechten op 5 %. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van Hof Den Bosch, omdat al bij de overdracht van de pensioenvoorziening of in ieder geval kort daarna rekening gehouden had moeten worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Het Hof had dat niet gedaan.