Hof waardeert aandelenpakket op liquidatiewaarde
Iemand had alle aandelen in een BV. Voor Hof Leeuwarden was in geschil welke waarde aan deze aandelen per 1 januari 1998 voor de vermogensbelasting moest worden toegekend. Het Hof kwam tot een waardevaststelling waar zowel de belanghebbende als de inspecteur zich niet in kon vinden. Beiden gingen bij de Hoge Raad in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. Volgens de aandeelhouder had het Hof ten onrechte geen rekening gehouden met de structurele onderrentabiliteit van de onderneming. Het Hof had namelijk geoordeeld dat het aandelenpakket minimaal op de intrinsieke waarde van de onroerende zaken van de BV gewaardeerd moest worden en vond een correctie wegens onderrentabiliteit niet nodig. Daarmee gaf het Hof volgens de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting of had het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris verweet het Hof de waarde van de aandelen met slechts ƒ 4.000.000 te hebben verhoogd terwijl het Hof eerder in zijn uitspraak het bedrag van de verhoging had vastgesteld op ƒ 4.870.000. Ook op dat punt kon de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Daarnaast had het Hof de stelling van de inspecteur dat voor de waarde van de aanwezige kwekersrechten naar de liquidatiewaarde gekeken kan worden niet mogen negeren. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor een geheel nieuwe behandeling. Hof Arnhem stelde de liquidatiewaarde van de aandelen vast op ƒ 3.600.000. De inspecteur schatte de liquidatiewaarde van de aandelen op ƒ 6.500.000. De belanghebbende ging uit van een liquidatiewaarde van ƒ 2.870.000. Het verschil in waarde werd veroorzaakt door de waardering van de kwekersrechten. Het Hof vond aannemelijk dat de kwekersrechten waarde hadden omdat de licentiebaten na de feitelijke liquidatie nog enige tijd zouden doorlopen. Anders dan de inspecteur vond het Hof niet aannemelijk dat na liquidatie van de onderneming uit de bestaande licenties nog zeven jaren opbrengsten zouden kunnen worden genoten. De inspecteur maakte een hogere going-concernwaarde van de BV dan ƒ 3.600.000 niet aannemelijk en evenmin dat de kwekersrechten voor aanzienlijke bedragen zouden kunnen worden vervreemd.
Iemand had alle aandelen in een BV. Voor Hof Leeuwarden was in geschil welke waarde aan deze aandelen per 1 januari 1998 voor de vermogensbelasting moest worden toegekend. Het Hof kwam tot een waardevaststelling waar zowel de belanghebbende als de inspecteur zich niet in kon vinden. Beiden gingen bij de Hoge Raad in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. Volgens de aandeelhouder had het Hof ten onrechte geen rekening gehouden met de structurele onderrentabiliteit van de onderneming. Het Hof had namelijk geoordeeld dat het aandelenpakket minimaal op de intrinsieke waarde van de onroerende zaken van de BV gewaardeerd moest worden en vond een correctie wegens onderrentabiliteit niet nodig. Daarmee gaf het Hof volgens de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting of had het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris verweet het Hof de waarde van de aandelen met slechts ƒ 4.000.000 te hebben verhoogd terwijl het Hof eerder in zijn uitspraak het bedrag van de verhoging had vastgesteld op ƒ 4.870.000. Ook op dat punt kon de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Daarnaast had het Hof de stelling van de inspecteur dat voor de waarde van de aanwezige kwekersrechten naar de liquidatiewaarde gekeken kan worden niet mogen negeren. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor een geheel nieuwe behandeling. Hof Arnhem stelde de liquidatiewaarde van de aandelen vast op ƒ 3.600.000. De inspecteur schatte de liquidatiewaarde van de aandelen op ƒ 6.500.000. De belanghebbende ging uit van een liquidatiewaarde van ƒ 2.870.000. Het verschil in waarde werd veroorzaakt door de waardering van de kwekersrechten. Het Hof vond aannemelijk dat de kwekersrechten waarde hadden omdat de licentiebaten na de feitelijke liquidatie nog enige tijd zouden doorlopen. Anders dan de inspecteur vond het Hof niet aannemelijk dat na liquidatie van de onderneming uit de bestaande licenties nog zeven jaren opbrengsten zouden kunnen worden genoten. De inspecteur maakte een hogere going-concernwaarde van de BV dan ƒ 3.600.000 niet aannemelijk en evenmin dat de kwekersrechten voor aanzienlijke bedragen zouden kunnen worden vervreemd.