Hof vernietigde ten onrechte deel navorderingsaanslag
Iemand deed als buitenlands belastingplichtige aangifte van zijn Nederlandse inkomen over de eerste zes maanden van 1997. Volgens zijn opgave woonde hij met ingang van 1 juli 1997 weer in Nederland. De belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting op over 1997 overeenkomstig de ingediende aangifte. Daarna diende de belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting in over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997. Als gevolg daarvan onderzocht de belastingdienst wat in 1997 de woonplaats van de belanghebbende was geweest. De belastingdienst kwam tot de conclusie dat de belanghebbende het gehele jaar 1997 in Nederland had gewoond en dus ook voor de periode tot 1 juli 1997 binnenlands belastingplichtig was. Er volgde een aanslag inkomstenbelasting die betrekking had op geheel 1997. In zijn uitspraak op het tegen die aanslag gemaakte bezwaar stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de aanslag moest worden beschouwd als een navorderingsaanslag, omdat er al eerder een aanslag was opgelegd.Hof Amsterdam oordeelde dat de aanslag terecht was geconverteerd in een navorderingsaanslag. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag voor zover deze betrekking had op de tweede helft van het jaar, omdat de inspecteur een verzuim had begaan door niet binnen de aanslagtermijn een primitieve aanslag voor die helft van het jaar op te leggen. Het Hof trad echter buiten de rechtsstrijd van partijen door te oordelen dat de termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag over de tweede helft van het jaar per ultimo 2000 was verstreken. Dat punt was namelijk tussen partijen niet in geschil. Het Hof oordeelde ten onrechte dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan waardoor navordering niet mogelijk was. Voor het opleggen van een navorderingsaanslag over de tweede helft van het jaar 1997 had de inspecteur geen nieuw feit nodig omdat over de in die periode genoten inkomsten nog geen aanslag was opgelegd.
Iemand deed als buitenlands belastingplichtige aangifte van zijn Nederlandse inkomen over de eerste zes maanden van 1997. Volgens zijn opgave woonde hij met ingang van 1 juli 1997 weer in Nederland. De belastingdienst legde een aanslag inkomstenbelasting op over 1997 overeenkomstig de ingediende aangifte. Daarna diende de belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting in over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997. Als gevolg daarvan onderzocht de belastingdienst wat in 1997 de woonplaats van de belanghebbende was geweest. De belastingdienst kwam tot de conclusie dat de belanghebbende het gehele jaar 1997 in Nederland had gewoond en dus ook voor de periode tot 1 juli 1997 binnenlands belastingplichtig was. Er volgde een aanslag inkomstenbelasting die betrekking had op geheel 1997. In zijn uitspraak op het tegen die aanslag gemaakte bezwaar stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de aanslag moest worden beschouwd als een navorderingsaanslag, omdat er al eerder een aanslag was opgelegd.Hof Amsterdam oordeelde dat de aanslag terecht was geconverteerd in een navorderingsaanslag. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag voor zover deze betrekking had op de tweede helft van het jaar, omdat de inspecteur een verzuim had begaan door niet binnen de aanslagtermijn een primitieve aanslag voor die helft van het jaar op te leggen. Het Hof trad echter buiten de rechtsstrijd van partijen door te oordelen dat de termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag over de tweede helft van het jaar per ultimo 2000 was verstreken. Dat punt was namelijk tussen partijen niet in geschil. Het Hof oordeelde ten onrechte dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan waardoor navordering niet mogelijk was. Voor het opleggen van een navorderingsaanslag over de tweede helft van het jaar 1997 had de inspecteur geen nieuw feit nodig omdat over de in die periode genoten inkomsten nog geen aanslag was opgelegd.