Hof verklaarde bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk omdat tijdige verzending niet in geschil was
Iemand diende op 26 juli 2000 een bezwaarschrift in. De bezwaartermijn verstreek op 28 juli. De inspecteur ontving het bezwaar op 2 augustus 2000. Omdat de ontvangstdatum binnen een week na afloop van de bezwaartermijn viel en het binnen de termijn was verstuurd verklaarde de inspecteur het bezwaar ontvankelijk. In beroep verklaarde Hof Den Bosch de belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De belanghebbende was echter niet op de zitting verschenen en in zijn beroepschrift had hij zich over de verzending van het bezwaar niet uitgelaten. Volgens de Hoge Raad mocht het Hof ambtshalve een onderzoek doen naar het tijdstip van verzending van het bezwaarschrift ondanks dat dit tussen partijen niet in geschil was. Het Hof mocht echter niet oordelen dat de belanghebbende de tijdige verzending niet aannemelijk had gemaakt omdat de inspecteur dat feit ter zitting niet alsnog had betwist. Feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, behoeven immers geen bewijs.Omdat de inspecteur ter zitting niet had gesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig ter post zou zijn bezorgd, had het Hof als een vaststaand feit moeten aanmerken dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor beslechting van het materiƫle geschil.
Iemand diende op 26 juli 2000 een bezwaarschrift in. De bezwaartermijn verstreek op 28 juli. De inspecteur ontving het bezwaar op 2 augustus 2000. Omdat de ontvangstdatum binnen een week na afloop van de bezwaartermijn viel en het binnen de termijn was verstuurd verklaarde de inspecteur het bezwaar ontvankelijk. In beroep verklaarde Hof Den Bosch de belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De belanghebbende was echter niet op de zitting verschenen en in zijn beroepschrift had hij zich over de verzending van het bezwaar niet uitgelaten. Volgens de Hoge Raad mocht het Hof ambtshalve een onderzoek doen naar het tijdstip van verzending van het bezwaarschrift ondanks dat dit tussen partijen niet in geschil was. Het Hof mocht echter niet oordelen dat de belanghebbende de tijdige verzending niet aannemelijk had gemaakt omdat de inspecteur dat feit ter zitting niet alsnog had betwist. Feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, behoeven immers geen bewijs.Omdat de inspecteur ter zitting niet had gesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig ter post zou zijn bezorgd, had het Hof als een vaststaand feit moeten aanmerken dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor beslechting van het materiƫle geschil.