Hof mocht prijs bij transactie tussen BV en aandeelhouders niet zomaar aanpassen

In het najaar van 1992 werden de aandelen van een BV die zich bezig hield met de verhuur van een aantal onroerende zaken verkocht. De kopers waren eigenlijk geïnteresseerd in overname van de onroerende zaken, maar op verzoek van de meerderheidsaandeelhoudster werd gekozen voor overname van de aandelen. De koopsom voor de aandelen bedroeg ƒ 600.000. Begin 1993 verkocht de BV de economische eigendom van de onroerende zaken aan haar nieuwe aandeelhouders voor een bedrag van ƒ 960.000. Er was een taxatierapport uit 1992 waarin de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende goederen op ƒ 1.695.000 werd gesteld. In mei 1997 taxeerde de belastingdienst de waarde in het economische verkeer van de onroerende goederen op de verkoopdatum in 1993 op ƒ 2.100.000. Naar de mening van de inspecteur was de verkoop van de economische eigendom tegen een te lage prijs aan de aandeelhouders een uitdeling van winst door de BV. Hof Amsterdam was van oordeel dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken ten tijde van de verkoop op het gemiddelde van deze twee taxaties moest worden gesteld, ofwel op ƒ 1.900.000. Het Hof vond dat de prijs die bij de verkoop van de aandelen was overeengekomen niet maatgevend was voor de beoordeling van de prijs bij de verkoop van de onroerende zaken. Met dat oordeel kon de Hoge Raad niet instemmen. Ook al zou de voor de aandelen betaalde prijs niet maatgevend zijn voor de beoordeling van de prijs voor de economische eigendom van de onroerende zaken, dan had het Hof nog moeten onderbouwen waarom de prijs voor de aandelen helemaal niet meetelde voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van die onroerende zaken. Hof Den Haag moet de zaak nu verder behandelen.
In het najaar van 1992 werden de aandelen van een BV die zich bezig hield met de verhuur van een aantal onroerende zaken verkocht. De kopers waren eigenlijk geïnteresseerd in overname van de onroerende zaken, maar op verzoek van de meerderheidsaandeelhoudster werd gekozen voor overname van de aandelen. De koopsom voor de aandelen bedroeg ƒ 600.000. Begin 1993 verkocht de BV de economische eigendom van de onroerende zaken aan haar nieuwe aandeelhouders voor een bedrag van ƒ 960.000. Er was een taxatierapport uit 1992 waarin de onderhandse verkoopwaarde van de onroerende goederen op ƒ 1.695.000 werd gesteld. In mei 1997 taxeerde de belastingdienst de waarde in het economische verkeer van de onroerende goederen op de verkoopdatum in 1993 op ƒ 2.100.000. Naar de mening van de inspecteur was de verkoop van de economische eigendom tegen een te lage prijs aan de aandeelhouders een uitdeling van winst door de BV. Hof Amsterdam was van oordeel dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken ten tijde van de verkoop op het gemiddelde van deze twee taxaties moest worden gesteld, ofwel op ƒ 1.900.000. Het Hof vond dat de prijs die bij de verkoop van de aandelen was overeengekomen niet maatgevend was voor de beoordeling van de prijs bij de verkoop van de onroerende zaken. Met dat oordeel kon de Hoge Raad niet instemmen. Ook al zou de voor de aandelen betaalde prijs niet maatgevend zijn voor de beoordeling van de prijs voor de economische eigendom van de onroerende zaken, dan had het Hof nog moeten onderbouwen waarom de prijs voor de aandelen helemaal niet meetelde voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van die onroerende zaken. Hof Den Haag moet de zaak nu verder behandelen.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u