Hof meende ten onrechte dat de belastingplichtige een stelling had ingetrokken
Een belastingplichtige klaagde in zijn bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting over het niet in aftrek toestaan van door hem gemaakte kosten. Het ging om kosten van dubbele huisvesting en reiskosten in de weekends naar het gezin, dat in België woonde terwijl hij door de week in Nederland verbleef voor zijn werk. Die kosten vormden naar zijn mening aftrekbare beroepskosten. De belastingdienst weigerde de aftrek, omdat men vond, dat de belastingplichtige in Nederland woonde. De belastingplichtige ging in beroep tegen die uitspraak. Het Hof oordeelde, dat hij de in zijn bezwaar genoemde klachten had laten vallen omdat hij in het beroepschrift niet inging op de beslissing van de Inspecteur dat die kosten inkomensbesteding zijn en dus niet aftrekbaar. De Hoge Raad heeft dat oordeel vernietigd, omdat de beslissing van de Inspecteur over de beroepskosten een uitvloeisel is van de beslissing dat de belastingplichtige in Nederland woonde en binnenlands belastingplichtige was. Het Hof had moeten motiveren waarom de belastingplichtige zijn klachten zou hebben prijsgegeven, zeker omdat hij tijdens de zitting van het Hof heeft meegedeeld, dat hij zijn standpunt met betrekking tot de beroepskosten handhaafde. Het Hof was het wel met de belastingplichtige eens, dat hij in België woonde. Daarom had het Hof ook een oordeel moeten geven over de gevraagde aftrek van beroepskosten. De zaak is verwezen naar Hof Amsterdam.
Een belastingplichtige klaagde in zijn bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting over het niet in aftrek toestaan van door hem gemaakte kosten. Het ging om kosten van dubbele huisvesting en reiskosten in de weekends naar het gezin, dat in België woonde terwijl hij door de week in Nederland verbleef voor zijn werk. Die kosten vormden naar zijn mening aftrekbare beroepskosten. De belastingdienst weigerde de aftrek, omdat men vond, dat de belastingplichtige in Nederland woonde. De belastingplichtige ging in beroep tegen die uitspraak. Het Hof oordeelde, dat hij de in zijn bezwaar genoemde klachten had laten vallen omdat hij in het beroepschrift niet inging op de beslissing van de Inspecteur dat die kosten inkomensbesteding zijn en dus niet aftrekbaar. De Hoge Raad heeft dat oordeel vernietigd, omdat de beslissing van de Inspecteur over de beroepskosten een uitvloeisel is van de beslissing dat de belastingplichtige in Nederland woonde en binnenlands belastingplichtige was. Het Hof had moeten motiveren waarom de belastingplichtige zijn klachten zou hebben prijsgegeven, zeker omdat hij tijdens de zitting van het Hof heeft meegedeeld, dat hij zijn standpunt met betrekking tot de beroepskosten handhaafde. Het Hof was het wel met de belastingplichtige eens, dat hij in België woonde. Daarom had het Hof ook een oordeel moeten geven over de gevraagde aftrek van beroepskosten. De zaak is verwezen naar Hof Amsterdam.