Hof matigt werking concurrentiebeding
Het is niet ongebruikelijk om in arbeidsovereenkomsten met sleutelfunctionarissen een non-concurrentiebeding of een relatiebeding op te nemen. Dergelijke bedingen moeten voorkomen dat een werknemer na zijn vertrek zijn werkgever concurrentie aandoet of de met relaties van de werkgever opgebouwde contacten in een nieuwe betrekking uitnut ten koste van zijn vroegere werkgever. Door de werking van een non-concurrentiebeding of een relatiebeding mag het de werknemer niet onmogelijk gemaakt worden om na zijn vertrek bij de werkgever in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechter kan in dergelijke gevallen de werking van het beding matigen.
Een arbeidsovereenkomst bevatte een verstrekkend non-concurrentiebeding, op grond waarvan het de werknemer gedurende twee jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking verboden was om waar ook ter wereld en in welke vorm dan ook concurrerende werkzaamheden te verrichten. Op overtreding van dit verbod stond een boete van ƒ 1.000 per dag. De arbeidsovereenkomst eindigde na 1,5 jaar. De werknemer trad voor zes maanden in dienst bij een ander bedrijf. De directeur van dat bedrijf was ook de directeur van zijn vroegere werkgever. De vroegere werkgever had geen bezwaar tegen de nieuwe dienstbetrekking. In die dienstbetrekking gold alleen een relatiebeding. Gelijktijdig met de aanvaarding van de nieuwe dienstbetrekking schreef de werknemer zijn eenmanszaak in het handelsregister in. Na de beëindiging van de opvolgende dienstbetrekking werkte de werknemer volledig als zelfstandige. De eerste werkgever vorderde aanvankelijk wegens overtreding van het concurrentiebeding een bedrag van ƒ 225.000 (225 dagen x ƒ 1.000). Omdat de voormalige werknemer dat bedrag niet betaalde startte de werkgever een procedure voor de kantonrechter. De vordering bedroeg inmiddels € 331.000. De kantonrechter wees de vordering af, waarna de werkgever in hoger beroep ging. De werknemer was het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat het aanvankelijke concurrentiebeding ongewijzigd in stand was gebleven. Hof Den Bosch beantwoordde als eerste de vraag of het concurrentiebeding in stand was gebleven of was vervallen na de verandering van werkgever. Volgens het Hof bleek nergens uit dat het relatiebeding van de tweede dienstbetrekking het eerdere concurrentiebeding had vervangen. Dat betekende dat het overeengekomen concurrentiebeding in beginsel van toepassing was.
Het Hof vond het concurrentiebeding onredelijk bezwarend voor de werknemer gezien de ruime omschrijving en de korte duur van de arbeidsovereenkomst. Het Hof beperkte het concurrentiebeding tot een relatiebeding met een duur van 1 jaar. Vervolgens stelde het Hof vast dat de werknemer het gewijzigde concurrentiebeding had overtreden, omdat de werknemer een opdracht van een toenmalige klant van zijn werkgever had aangenomen. Het Hof stelde de boete daarvoor vast op een eenmalig bedrag van € 5.000. Voor verdere matiging zag het Hof geen aanleiding omdat de werknemer geen inzicht had verleend in de aard en de omvang van de door hem bij deze klant verrichte werkzaamheden of over de daaruit ontvangen inkomsten.
Het is niet ongebruikelijk om in arbeidsovereenkomsten met sleutelfunctionarissen een non-concurrentiebeding of een relatiebeding op te nemen. Dergelijke bedingen moeten voorkomen dat een werknemer na zijn vertrek zijn werkgever concurrentie aandoet of de met relaties van de werkgever opgebouwde contacten in een nieuwe betrekking uitnut ten koste van zijn vroegere werkgever. Door de werking van een non-concurrentiebeding of een relatiebeding mag het de werknemer niet onmogelijk gemaakt worden om na zijn vertrek bij de werkgever in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechter kan in dergelijke gevallen de werking van het beding matigen.
Een arbeidsovereenkomst bevatte een verstrekkend non-concurrentiebeding, op grond waarvan het de werknemer gedurende twee jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking verboden was om waar ook ter wereld en in welke vorm dan ook concurrerende werkzaamheden te verrichten. Op overtreding van dit verbod stond een boete van ƒ 1.000 per dag. De arbeidsovereenkomst eindigde na 1,5 jaar. De werknemer trad voor zes maanden in dienst bij een ander bedrijf. De directeur van dat bedrijf was ook de directeur van zijn vroegere werkgever. De vroegere werkgever had geen bezwaar tegen de nieuwe dienstbetrekking. In die dienstbetrekking gold alleen een relatiebeding. Gelijktijdig met de aanvaarding van de nieuwe dienstbetrekking schreef de werknemer zijn eenmanszaak in het handelsregister in. Na de beëindiging van de opvolgende dienstbetrekking werkte de werknemer volledig als zelfstandige. De eerste werkgever vorderde aanvankelijk wegens overtreding van het concurrentiebeding een bedrag van ƒ 225.000 (225 dagen x ƒ 1.000). Omdat de voormalige werknemer dat bedrag niet betaalde startte de werkgever een procedure voor de kantonrechter. De vordering bedroeg inmiddels € 331.000. De kantonrechter wees de vordering af, waarna de werkgever in hoger beroep ging. De werknemer was het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat het aanvankelijke concurrentiebeding ongewijzigd in stand was gebleven. Hof Den Bosch beantwoordde als eerste de vraag of het concurrentiebeding in stand was gebleven of was vervallen na de verandering van werkgever. Volgens het Hof bleek nergens uit dat het relatiebeding van de tweede dienstbetrekking het eerdere concurrentiebeding had vervangen. Dat betekende dat het overeengekomen concurrentiebeding in beginsel van toepassing was.
Het Hof vond het concurrentiebeding onredelijk bezwarend voor de werknemer gezien de ruime omschrijving en de korte duur van de arbeidsovereenkomst. Het Hof beperkte het concurrentiebeding tot een relatiebeding met een duur van 1 jaar. Vervolgens stelde het Hof vast dat de werknemer het gewijzigde concurrentiebeding had overtreden, omdat de werknemer een opdracht van een toenmalige klant van zijn werkgever had aangenomen. Het Hof stelde de boete daarvoor vast op een eenmalig bedrag van € 5.000. Voor verdere matiging zag het Hof geen aanleiding omdat de werknemer geen inzicht had verleend in de aard en de omvang van de door hem bij deze klant verrichte werkzaamheden of over de daaruit ontvangen inkomsten.