Hielden reorganisatiekosten verband met buitenlandse deelnemingen?
Een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij hield in de jaren 1989 tot en met 1991 aandelen in meerdere buitenlandse werkmaatschappijen. De houdstermaatschappij maakte in die jaren, naast kosten die verband hielden met haar deelnemingen, ook kosten die betrekking hadden op haar eigen beursnotering, kosten ten behoeve van investeerders en beleggers (investors relations costs) en kosten in verband met een reorganisatie. Over alle jaren werden procedures gevoerd voor Hof Den Haag. In de procedure over 1989 stond het Hof de aftrek toe van de kosten die betrekking hadden op een reorganisatie van het internationale concern waar de houdstermaatschappij onderdeel van was. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur niet bestreden dat de reorganisatiekosten geen kosten waren die betrekking hadden op een buitenlandse deelneming. In zijn vertoogschrift had de inspecteur uitdrukkelijk een andersluidend standpunt ingenomen. Daarmee was het oordeel van het Hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Dat moet beoordelen in hoeverre de reorganisatiekosten kosten zijn die verband houden met deelnemingen.
Een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij hield in de jaren 1989 tot en met 1991 aandelen in meerdere buitenlandse werkmaatschappijen. De houdstermaatschappij maakte in die jaren, naast kosten die verband hielden met haar deelnemingen, ook kosten die betrekking hadden op haar eigen beursnotering, kosten ten behoeve van investeerders en beleggers (investors relations costs) en kosten in verband met een reorganisatie. Over alle jaren werden procedures gevoerd voor Hof Den Haag. In de procedure over 1989 stond het Hof de aftrek toe van de kosten die betrekking hadden op een reorganisatie van het internationale concern waar de houdstermaatschappij onderdeel van was. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur niet bestreden dat de reorganisatiekosten geen kosten waren die betrekking hadden op een buitenlandse deelneming. In zijn vertoogschrift had de inspecteur uitdrukkelijk een andersluidend standpunt ingenomen. Daarmee was het oordeel van het Hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Dat moet beoordelen in hoeverre de reorganisatiekosten kosten zijn die verband houden met deelnemingen.