Herziening verliesbeschikking vereist nieuw feit
Het opleggen van een navorderingsaanslag is mogelijk wanneer de inspecteur beschikt over een zogenaamd nieuw feit, dat wil zeggen een feit dat hem bij het vaststellen van de aanslag niet bekend was, maar dat wanneer het hem bekend was geweest zou hebben geleid tot een andere aanslag. Het opleggen van een navorderingsaanslag is ook mogelijk wanneer een belastingplichtige te kwader trouw is. Dat is het geval wanneer hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De regels voor navorderen zijn ook van toepassing op de mogelijkheid tot herziening van verliesbeschikkingen in de vennootschapsbelasting. De belastingdienst baseerde een herziene verliesbeschikking op kwade trouw van de zijde van de vennootschap. Als onderbouwing van dat standpunt voerde de belastingdienst aan dat de vennootschap ten onrechte een bedrag aan rente had opgevoerd in de aangifte over 2001, terwijl bekend was dat er geen overeenkomst was en er dus geen sprake kon zijn van verschuldigde rente. De rechtbank deelde die opvatting niet. Alle relevante feiten waren duidelijk vermeld in de aangifte, terwijl ook de leveringsakte waaruit de verschuldigdheid van rente bleek bekend was. De vennootschap had geen feiten achtergehouden en dus kon van kwade trouw als gevolg van opzet geen sprake zijn.
Het opleggen van een navorderingsaanslag is mogelijk wanneer de inspecteur beschikt over een zogenaamd nieuw feit, dat wil zeggen een feit dat hem bij het vaststellen van de aanslag niet bekend was, maar dat wanneer het hem bekend was geweest zou hebben geleid tot een andere aanslag. Het opleggen van een navorderingsaanslag is ook mogelijk wanneer een belastingplichtige te kwader trouw is. Dat is het geval wanneer hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De regels voor navorderen zijn ook van toepassing op de mogelijkheid tot herziening van verliesbeschikkingen in de vennootschapsbelasting. De belastingdienst baseerde een herziene verliesbeschikking op kwade trouw van de zijde van de vennootschap. Als onderbouwing van dat standpunt voerde de belastingdienst aan dat de vennootschap ten onrechte een bedrag aan rente had opgevoerd in de aangifte over 2001, terwijl bekend was dat er geen overeenkomst was en er dus geen sprake kon zijn van verschuldigde rente. De rechtbank deelde die opvatting niet. Alle relevante feiten waren duidelijk vermeld in de aangifte, terwijl ook de leveringsakte waaruit de verschuldigdheid van rente bleek bekend was. De vennootschap had geen feiten achtergehouden en dus kon van kwade trouw als gevolg van opzet geen sprake zijn.