Herziening verdeling gemeenschappelijk inkomen bij vaststaande aanslag

De Wet IB 2001 bepaalt dat geen aanslag wordt vastgesteld wanneer de verschuldigde belasting na verrekening van voorheffingen niet hoger is dan een bepaald bedrag. Voor het jaar 2001 was dit € 196. Door een fout bij de omrekening van guldens naar euro’s verwerkte iemand in het aangiftebiljet 2001 een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing. Als gevolg daarvan werd geen aanslag opgelegd omdat de genoemde grens van € 196 niet werd overschreden. In 2003 ontdekte de belastingdienst de fout en legde een navorderingsaanslag op van € 397. De belanghebbende verzocht in het bezwaarschrift om wijziging van de verdeling van de tussen partners te verdelen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waardoor de op aanslag te betalen belasting nihil zou bedragen. Fiscale partners kunnen de gekozen onderlinge verhouding van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag herzien tot het moment waarop de aanslag van een van hen onherroepelijk vaststaat. Op het moment waarop de navorderingsaanslag werd vastgesteld stond de primitieve aanslag onherroepelijk vast. De belanghebbende was van mening dat de inspecteur in strijd handelde met het zorgvuldigheidsbeginsel door herziening van de verdeling te weigeren. Hof Arnhem deelde deze visie niet. Op grond van de wet kan de gekozen verdeling niet meer worden herzien als de aanslag onherroepelijk vaststaat. Alleen als de Belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelt is herziening van de verdeling nog mogelijk. Wanneer de onjuiste primitieve aanslag het gevolg was van een fout van de Belastingdienst, die door het opleggen van een navorderingsaanslag werd hersteld, dan had de Belastingdienst in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. De fout was in dit geval echter niet aan de Belastingdienst te wijten.
De Wet IB 2001 bepaalt dat geen aanslag wordt vastgesteld wanneer de verschuldigde belasting na verrekening van voorheffingen niet hoger is dan een bepaald bedrag. Voor het jaar 2001 was dit € 196. Door een fout bij de omrekening van guldens naar euro’s verwerkte iemand in het aangiftebiljet 2001 een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing. Als gevolg daarvan werd geen aanslag opgelegd omdat de genoemde grens van € 196 niet werd overschreden. In 2003 ontdekte de belastingdienst de fout en legde een navorderingsaanslag op van € 397. De belanghebbende verzocht in het bezwaarschrift om wijziging van de verdeling van de tussen partners te verdelen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waardoor de op aanslag te betalen belasting nihil zou bedragen. Fiscale partners kunnen de gekozen onderlinge verhouding van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag herzien tot het moment waarop de aanslag van een van hen onherroepelijk vaststaat. Op het moment waarop de navorderingsaanslag werd vastgesteld stond de primitieve aanslag onherroepelijk vast. De belanghebbende was van mening dat de inspecteur in strijd handelde met het zorgvuldigheidsbeginsel door herziening van de verdeling te weigeren. Hof Arnhem deelde deze visie niet. Op grond van de wet kan de gekozen verdeling niet meer worden herzien als de aanslag onherroepelijk vaststaat. Alleen als de Belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelt is herziening van de verdeling nog mogelijk. Wanneer de onjuiste primitieve aanslag het gevolg was van een fout van de Belastingdienst, die door het opleggen van een navorderingsaanslag werd hersteld, dan had de Belastingdienst in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. De fout was in dit geval echter niet aan de Belastingdienst te wijten.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u