Herziening Successiewet
Nadat de staatssecretaris van Financiën eerder al had aangekondigd dat de Successiewet op de schop gaat heeft hij in een gastcollege op de Universiteit Tilburg de contouren geschetst van de nieuwe Wet Schenk- en Erfbelasting. Waar de huidige wet nog uitgaat van de persoon van de schenker resp. de persoon van de erflater, wil de staatssecretaris straks de verkrijger centraal stellen. Desondanks zal, om heffingslekken te voorkomen, de persoon van de schenker resp. erflater niet geheel losgelaten worden als uitgangpunt voor de belastingheffing. Anders dan de huidige wet wil de staatssecretaris meer aansluiting zoeken bij de economische realiteit en belasting heffen van personen die er door een schenking of door overlijden van een ander op vooruit gaan. Op die manier wordt een aantal bestaande constructies bestreden. De basis van die constructies is namelijk het voorkomen van juridische eigendom bij de begunstigden. Voorbeelden zijn het onderbrengen van het vermogen in een trust, die in een belastingparadijs is gevestigd, keuzetestamenten waarbij de nabestaanden de keuze hebben uit een reeks aan mogelijkheden om de belasting zo laag mogelijk te houden en testamenten waarbij generaties worden overgeslagen (ik-opatestament).
De staatssecretaris overweegt ook om de vorderingen uit een langstlevendentestament te defiscaliseren. Bij de heffing van successierecht wordt dan geen rekening gehouden met de vordering die kinderen hebben op de langstlevende ouder wegens overbedeling. Nu worden de kinderen nog belast voor hun aandeel in de nalatenschap, terwijl ze slechts een niet-opeisbare vordering op de langstlevende ouder krijgen. Deze vordering is pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende ouder.
Door verbreding van de heffingsgrondslag moet het mogelijk zijn om de tarieven te verlagen zonder dat de belastingopbrengst daardoor daalt. De opzet is dat er slechts twee groepen verkrijgers over blijven, namelijk partners en kinderen enerzijds en overige verkrijgers anderzijds. De voorkeur van de staatssecretaris gaat uit naar één belastingtarief per groep. Voor partners en kinderen zou dat niet hoger mogen zijn dan 20%; voor overige verkrijgers zou dat onder de 50% moeten blijven. Progressie in de belastingheffing kan dan worden verkregen door het verlenen van een vrijstelling voor een deel van de verkrijging. Naarmate de verkrijging groter is wordt de invloed van de vrijstelling op het gemiddelde tarief kleiner.
De huidige wet bevat verschillende soorten vrijstellingen. Er zijn zowel voet- als drempelvrijstellingen. Drempelvrijstellingen vervallen wanneer de verkrijging hoger is dan de drempel. De staatssecretaris wil in de nieuwe wet uitsluitend nog voetvrijstellingen opnemen.
Voor bedrijfsopvolging in de familiesfeer bestaat een ruime faciliteit. Deze faciliteit zal in de kern blijven bestaan, maar wordt vereenvoudigd. De bedoeling is dat de conserverende aanslag die in dit kader wordt opgelegd komt te vervallen.
Op dit moment is nog niet voorzien in overgangsrecht. Met name de aangekondigde defiscalisering van de vorderingen uit een langstlevendentestament zou langdurig overgangsrecht tot gevolg kunnen hebben.
Nadat de staatssecretaris van Financiën eerder al had aangekondigd dat de Successiewet op de schop gaat heeft hij in een gastcollege op de Universiteit Tilburg de contouren geschetst van de nieuwe Wet Schenk- en Erfbelasting. Waar de huidige wet nog uitgaat van de persoon van de schenker resp. de persoon van de erflater, wil de staatssecretaris straks de verkrijger centraal stellen. Desondanks zal, om heffingslekken te voorkomen, de persoon van de schenker resp. erflater niet geheel losgelaten worden als uitgangpunt voor de belastingheffing. Anders dan de huidige wet wil de staatssecretaris meer aansluiting zoeken bij de economische realiteit en belasting heffen van personen die er door een schenking of door overlijden van een ander op vooruit gaan. Op die manier wordt een aantal bestaande constructies bestreden. De basis van die constructies is namelijk het voorkomen van juridische eigendom bij de begunstigden. Voorbeelden zijn het onderbrengen van het vermogen in een trust, die in een belastingparadijs is gevestigd, keuzetestamenten waarbij de nabestaanden de keuze hebben uit een reeks aan mogelijkheden om de belasting zo laag mogelijk te houden en testamenten waarbij generaties worden overgeslagen (ik-opatestament).
De staatssecretaris overweegt ook om de vorderingen uit een langstlevendentestament te defiscaliseren. Bij de heffing van successierecht wordt dan geen rekening gehouden met de vordering die kinderen hebben op de langstlevende ouder wegens overbedeling. Nu worden de kinderen nog belast voor hun aandeel in de nalatenschap, terwijl ze slechts een niet-opeisbare vordering op de langstlevende ouder krijgen. Deze vordering is pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende ouder.
Door verbreding van de heffingsgrondslag moet het mogelijk zijn om de tarieven te verlagen zonder dat de belastingopbrengst daardoor daalt. De opzet is dat er slechts twee groepen verkrijgers over blijven, namelijk partners en kinderen enerzijds en overige verkrijgers anderzijds. De voorkeur van de staatssecretaris gaat uit naar één belastingtarief per groep. Voor partners en kinderen zou dat niet hoger mogen zijn dan 20%; voor overige verkrijgers zou dat onder de 50% moeten blijven. Progressie in de belastingheffing kan dan worden verkregen door het verlenen van een vrijstelling voor een deel van de verkrijging. Naarmate de verkrijging groter is wordt de invloed van de vrijstelling op het gemiddelde tarief kleiner.
De huidige wet bevat verschillende soorten vrijstellingen. Er zijn zowel voet- als drempelvrijstellingen. Drempelvrijstellingen vervallen wanneer de verkrijging hoger is dan de drempel. De staatssecretaris wil in de nieuwe wet uitsluitend nog voetvrijstellingen opnemen.
Voor bedrijfsopvolging in de familiesfeer bestaat een ruime faciliteit. Deze faciliteit zal in de kern blijven bestaan, maar wordt vereenvoudigd. De bedoeling is dat de conserverende aanslag die in dit kader wordt opgelegd komt te vervallen.
Op dit moment is nog niet voorzien in overgangsrecht. Met name de aangekondigde defiscalisering van de vorderingen uit een langstlevendentestament zou langdurig overgangsrecht tot gevolg kunnen hebben.