Herziening keuzevermogen landbouwer op datum invoering nieuwe landbouwvrijstelling
In verband met de wijziging in de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting per 27 juni 2000 wilde een agrarische ondernemer het woongedeelte van zijn boerderij, de ondergrond van dat woongedeelte en de tuin naar zijn privé-vermogen overbrengen. Al deze vermogensbestanddelen behoorden tot het keuzevermogen en zijn vanaf de aankoop van de boerderij tot het ondernemingsvermogen gerekend. De ondernemer wilde zijn keuze per26 juni 2000 herzien. In eerste aanleg wilde hij alleen de ondergrond en de tuin overbrengen naar zijn privé-vermogen. Als aparte heretikettering van ondergrond en tuin niet mogelijk zou zijn, wilde hij ook het woongedeelte tot zijn privé-vermogen rekenen. De inspecteur was van mening dat alleen het gehele bedrijfsmiddel 'woongedeelte met ondergrond en tuin' naar het privé-vermogen kon worden overgebracht en wel per 27 juni 2000, omdat op die dag het nieuwe regime van de landbouwvrijstelling in werking trad. De Hoge Raad is van oordeel, dat het standpunt van de inspecteur juist is. Gezien de onderlinge samenhang is het opdelen van het bedrijfsmiddel niet mogelijk voor de vermogensetikettering. Bij de overgang naar privé was rekening gehouden met een waardedruk wegens voortgezette zelfbewoning van 20 %. Dat percentage stemde overeen met het door de Staatssecretaris in een Besluit genoemde percentage. Het Hof was van oordeel, dat een hogere waardedruk niet was bewezen en vond dit percentage redelijk. Het beroep van de agrariër op de toepassing van het Besluit heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht afgewezen omdat het in deze situatie niet van toepassing is. De advocaat-generaal was van mening, dat ondergrond en tuin zonder fiscale gevolgen naar het privé vermogen konden worden overgebracht en dat alleen de meerwaarde van het woongedeelte belast was. Hij concludeerde tot vermindering van de aanslag. De Hoge Raad deelde die zienswijze niet, zo blijkt uit het arrest.
In verband met de wijziging in de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting per 27 juni 2000 wilde een agrarische ondernemer het woongedeelte van zijn boerderij, de ondergrond van dat woongedeelte en de tuin naar zijn privé-vermogen overbrengen. Al deze vermogensbestanddelen behoorden tot het keuzevermogen en zijn vanaf de aankoop van de boerderij tot het ondernemingsvermogen gerekend. De ondernemer wilde zijn keuze per26 juni 2000 herzien. In eerste aanleg wilde hij alleen de ondergrond en de tuin overbrengen naar zijn privé-vermogen. Als aparte heretikettering van ondergrond en tuin niet mogelijk zou zijn, wilde hij ook het woongedeelte tot zijn privé-vermogen rekenen. De inspecteur was van mening dat alleen het gehele bedrijfsmiddel 'woongedeelte met ondergrond en tuin' naar het privé-vermogen kon worden overgebracht en wel per 27 juni 2000, omdat op die dag het nieuwe regime van de landbouwvrijstelling in werking trad. De Hoge Raad is van oordeel, dat het standpunt van de inspecteur juist is. Gezien de onderlinge samenhang is het opdelen van het bedrijfsmiddel niet mogelijk voor de vermogensetikettering. Bij de overgang naar privé was rekening gehouden met een waardedruk wegens voortgezette zelfbewoning van 20 %. Dat percentage stemde overeen met het door de Staatssecretaris in een Besluit genoemde percentage. Het Hof was van oordeel, dat een hogere waardedruk niet was bewezen en vond dit percentage redelijk. Het beroep van de agrariër op de toepassing van het Besluit heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht afgewezen omdat het in deze situatie niet van toepassing is. De advocaat-generaal was van mening, dat ondergrond en tuin zonder fiscale gevolgen naar het privé vermogen konden worden overgebracht en dat alleen de meerwaarde van het woongedeelte belast was. Hij concludeerde tot vermindering van de aanslag. De Hoge Raad deelde die zienswijze niet, zo blijkt uit het arrest.