Herstel met foutenleer niet mogelijk voor afgeloste vordering

In de verkoopovereenkomst waarbij alle aandelen in een BV werden verkocht was een vrijwaringsclausule opgenomen die betrekking had op mogelijke garantieclaims uit vroegere activiteiten van de BV. De verstrekte garantie gold voor een periode van 10 jaar. De verkoper nam op grond van deze vrijwaringsclausule de garantieclaims op de BV over. De BV werd vervolgens aangesproken uit hoofde van de garantie en beriep zich op de vrijwaringsclausule. Op grond van deze clausule betaalde de verkoper in 1998 een bedrag van € 235.669. De BV rekende dit bedrag tot haar winst. Ook in latere jaren ontving de BV bedragen uit hoofde van de vrijwaringsclausule. In de aangifte vennootschapsbelasting 2001 stelde de BV zich op het standpunt dat uit hoofde van de vrijwaringsclausule betaalde bedragen niet tot de winst behoorden maar kapitaalstortingen waren. De achterliggende gedachte was dat er sprake was van een correctie op de destijds voor de aandelen betaalde koopsom, die toekwam aan de koper van de aandelen. Door deze correctie aan de BV te laten toekomen was er een kapitaalstorting door de koper in de BV. Met een beroep op de foutenleer wilde de BV een vordering opnemen voor het totaalbedrag van de uiteindelijk ontvangen schadeloosstellingen en het gehele bedrag als informele kapitaalstorting verwerken. De BV wilde daarbij de in 1998 reeds ontvangen betaling ten laste van haar winst op deze vordering afboeken. Daarmee zou de verwerking van de betaling ten gunste van de winst ongedaan gemaakt worden. De vraag was of de ontvangen bedragen als kapitaalstorting buiten de winst bleven en of de afboeking van het in 1998 ontvangen bedrag mogelijk was. Volgens de rechtbank vormden de uit hoofde van de vrijwaringsclausule ontvangen bedragen correcties op de in 1991 betaalde koopsom. De koper van de aandelen van de BV had, door te bedingen dat de bedragen aan de BV werden betaald, de BV willen bevoordelen en dus vormden de ontvangen bedragen informele kapitaalstortingen, die niet tot de winst van de BV behoorden. De rechtbank wees het beroep op de foutenleer af. Er was namelijk in het jaar van de verkoop geen fout gemaakt door geen vordering op de balans op te nemen, gezien de onzekere omvang. De omvang was afhankelijk van in latere jaren optredende schade en de mate waarin afnemers die schade wensten te verhalen op de BV. Zelfs al zou de foutenleer van toepassing zijn dan was het nog niet mogelijk om een vordering op te nemen die door betaling in een eerder jaar te niet is gegaan. De fout zou daardoor onherroepelijk zijn geworden en dus niet meer met behulp van de foutenleer te herstellen. Een voorwaarde voor toepassing van de foutenleer is dat het betreffende vermogensbestanddeel nog tot het vermogen van de belanghebbende behoort. Aan die voorwaarde werd hier niet voldaan.
In de verkoopovereenkomst waarbij alle aandelen in een BV werden verkocht was een vrijwaringsclausule opgenomen die betrekking had op mogelijke garantieclaims uit vroegere activiteiten van de BV. De verstrekte garantie gold voor een periode van 10 jaar. De verkoper nam op grond van deze vrijwaringsclausule de garantieclaims op de BV over. De BV werd vervolgens aangesproken uit hoofde van de garantie en beriep zich op de vrijwaringsclausule. Op grond van deze clausule betaalde de verkoper in 1998 een bedrag van € 235.669. De BV rekende dit bedrag tot haar winst. Ook in latere jaren ontving de BV bedragen uit hoofde van de vrijwaringsclausule. In de aangifte vennootschapsbelasting 2001 stelde de BV zich op het standpunt dat uit hoofde van de vrijwaringsclausule betaalde bedragen niet tot de winst behoorden maar kapitaalstortingen waren. De achterliggende gedachte was dat er sprake was van een correctie op de destijds voor de aandelen betaalde koopsom, die toekwam aan de koper van de aandelen. Door deze correctie aan de BV te laten toekomen was er een kapitaalstorting door de koper in de BV. Met een beroep op de foutenleer wilde de BV een vordering opnemen voor het totaalbedrag van de uiteindelijk ontvangen schadeloosstellingen en het gehele bedrag als informele kapitaalstorting verwerken. De BV wilde daarbij de in 1998 reeds ontvangen betaling ten laste van haar winst op deze vordering afboeken. Daarmee zou de verwerking van de betaling ten gunste van de winst ongedaan gemaakt worden. De vraag was of de ontvangen bedragen als kapitaalstorting buiten de winst bleven en of de afboeking van het in 1998 ontvangen bedrag mogelijk was. Volgens de rechtbank vormden de uit hoofde van de vrijwaringsclausule ontvangen bedragen correcties op de in 1991 betaalde koopsom. De koper van de aandelen van de BV had, door te bedingen dat de bedragen aan de BV werden betaald, de BV willen bevoordelen en dus vormden de ontvangen bedragen informele kapitaalstortingen, die niet tot de winst van de BV behoorden. De rechtbank wees het beroep op de foutenleer af. Er was namelijk in het jaar van de verkoop geen fout gemaakt door geen vordering op de balans op te nemen, gezien de onzekere omvang. De omvang was afhankelijk van in latere jaren optredende schade en de mate waarin afnemers die schade wensten te verhalen op de BV. Zelfs al zou de foutenleer van toepassing zijn dan was het nog niet mogelijk om een vordering op te nemen die door betaling in een eerder jaar te niet is gegaan. De fout zou daardoor onherroepelijk zijn geworden en dus niet meer met behulp van de foutenleer te herstellen. Een voorwaarde voor toepassing van de foutenleer is dat het betreffende vermogensbestanddeel nog tot het vermogen van de belanghebbende behoort. Aan die voorwaarde werd hier niet voldaan.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u