
Bij de verkoop van een bedrijfsmiddel kan de ondernemer voor de gerealiseerde meeropbrengst boven de boekwaarde een herinvesteringsreserve vormen als hij het voornemen heeft om tot herinvestering over te gaan. Bij een herinvesteringsreserve die betrekking heeft op bedrijfsmiddelen met een afschrijvingstermijn van meer dan tien jaar moet het nieuwe bedrijfsmiddel dezelfde functie in de onderneming hebben als het verkochte bedrijfsmiddel.
Na een aantal panden enkele jaren in eigen gebruik te hebben gehad werden deze vanaf 12 december 2000 verhuurd. De verhuurder verstrekte een optie tot koop aan de huurder met een looptijd tot 1 maart 2001. De huurder maakte gebruik van zijn recht tot koop. Op 20 april 2001 kocht de verhuurder een nieuw bedrijfsverzamelgebouw. Volgens de rechtbank hadden de verkochte panden en het nieuw gekochte pand dezelfde economische functie in de onderneming. De rechtbank hield geen rekening met de verleende optie omdat eind 2000 onzeker was of deze zou worden uitgeoefend. De aanwezigheid van het voornemen tot herinvestering stond niet ter discussie.
De inspecteur ging in hoger beroep omdat hij meende dat het bedrijfsverzamelgebouw niet als een vervangende aankoop voor de verkochte panden kon worden beschouwd. De verhuurder stelde voor dat geval dat hij ultimo 2001 nog steeds een vervangingsvoornemen had, zodat hij een herinvesteringsreserve kon vormen. De inspecteur meende dat dit niet mogelijk was omdat de verhuurder het bedrijfsverzamelpand als vervangende investering had aangewezen. Hof Amsterdam wees dit standpunt van de inspecteur af. Als afboeking vanwege een andere economische functie niet mogelijk was, was afboeken op een andere, wel kwalificerende (her)investering mogelijk zolang de verhuurder een voornemen tot herinvestering had.