Heffing van precariobelasting geoorloofd

Door een fusie zijn enkele nutsbedrijven in Noord Holland in 1999 samengegaan in een regionaal nutsbedrijf, dat ondermeer werkzaam was in de gemeenten Haarlem en Bennebroek. Per 1 januari 2005 voerde de gemeente Haarlem een precariobelasting in. Dat is een belasting op het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond. De belasting wordt geheven van degene die dergelijke voorwerpen heeft of van degene voor wie de voorwerpen zijn aangebracht. De gemeente legde aan het regionale energiebedrijf aanslagen precariobelasting op over het jaar 2005 voor een bedrag van € 3,6 miljoen. Het energiebedrijf bestreed de aanslagen. Volgens de rechtbank Haarlem was de belastingverordening verbindend en had de gemeente de bevoegdheid om het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond tegen te gaan. Bij het ontbreken van deze bevoegdheid kan geen precariobelasting worden geheven. Het energiebedrijf voerde aan dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de belasting had ingevoerd. Het energiebedrijf was ontstaan door de fusie van een aantal gemeentelijke nutsbedrijven. Ten tijde van de fusie was geen sprake van heffing van precariobelasting door de gemeente Haarlem. Bij de waardering van de gemeentelijke nutsbedrijven kon met deze belasting dus geen rekening worden gehouden. Volgens de rechtbank waren er geen bijzondere omstandigheden waaruit kon worden afgeleid dat de gemeente bij het nutsbedrijf het vertrouwen had gewekt dat geen precariobelasting zou worden geheven. De omstandigheid dat ten tijde van de fusie de daarbij betrokken gemeenten geen precariobelasting hieven vond de rechtbank onvoldoende. De gemeente Bennebroek voerde per 1 januari 2004 een precariobelasting in. Deze gemeente had echter in 1931 en in 1970 met een rechtsvoorganger van het nutsbedrijf overeenkomsten gesloten waarin werd afgezien van de heffing van precariobelasting. Deze overeenkomsten golden tot het tijdstip waarop de aan de provincie verleende rijksconcessie zou vervallen. Dat gebeurde door de invoering van de Elektriciteitswet 1989. De overeenkomst uit 1970 bepaalde dat ook na beëindiging van deze overeenkomst voor de op dat moment aanwezige werken een vrijstelling van precariobelasting zou gelden. Dat betekende dat de aanslagen precariobelasting voor zover ze betrekking hadden op de op 8 december 1989 al aanwezige werken ten onrechte waren opgelegd.
Door een fusie zijn enkele nutsbedrijven in Noord Holland in 1999 samengegaan in een regionaal nutsbedrijf, dat ondermeer werkzaam was in de gemeenten Haarlem en Bennebroek. Per 1 januari 2005 voerde de gemeente Haarlem een precariobelasting in. Dat is een belasting op het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond. De belasting wordt geheven van degene die dergelijke voorwerpen heeft of van degene voor wie de voorwerpen zijn aangebracht.
De gemeente legde aan het regionale energiebedrijf aanslagen precariobelasting op over het jaar 2005 voor een bedrag van € 3,6 miljoen. Het energiebedrijf bestreed de aanslagen.
Volgens de rechtbank Haarlem was de belastingverordening verbindend en had de gemeente de bevoegdheid om het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond tegen te gaan. Bij het ontbreken van deze bevoegdheid kan geen precariobelasting worden geheven.
Het energiebedrijf voerde aan dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de belasting had ingevoerd. Het energiebedrijf was ontstaan door de fusie van een aantal gemeentelijke nutsbedrijven. Ten tijde van de fusie was geen sprake van heffing van precariobelasting door de gemeente Haarlem. Bij de waardering van de gemeentelijke nutsbedrijven kon met deze belasting dus geen rekening worden gehouden.
Volgens de rechtbank waren er geen bijzondere omstandigheden waaruit kon worden afgeleid dat de gemeente bij het nutsbedrijf het vertrouwen had gewekt dat geen precariobelasting zou worden geheven. De omstandigheid dat ten tijde van de fusie de daarbij betrokken gemeenten geen precariobelasting hieven vond de rechtbank onvoldoende.
De gemeente Bennebroek voerde per 1 januari 2004 een precariobelasting in. Deze gemeente had echter in 1931 en in 1970 met een rechtsvoorganger van het nutsbedrijf overeenkomsten gesloten waarin werd afgezien van de heffing van precariobelasting. Deze overeenkomsten golden tot het tijdstip waarop de aan de provincie verleende rijksconcessie zou vervallen. Dat gebeurde door de invoering van de Elektriciteitswet 1989. De overeenkomst uit 1970 bepaalde dat ook na beëindiging van deze overeenkomst voor de op dat moment aanwezige werken een vrijstelling van precariobelasting zou gelden. Dat betekende dat de aanslagen precariobelasting voor zover ze betrekking hadden op de op 8 december 1989 al aanwezige werken ten onrechte waren opgelegd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u