
De Gemeentewet bepaalt welke belastingen gemeenten mogen heffen. Een van deze belastingen is het rioolrecht. De gemeente heeft de keuze om deze belasting te heffen van de gebruikers van woningen of van de eigenaren.
De gemeente Rotterdam heeft ervoor gekozen om het rioolrecht te heffen van de zakelijk gerechtigden tot woningen. Een verhuurder van een aantal woningen in Rotterdam meende dat heffing van rioolrecht achterwege moest blijven op grond van een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Volgens die arresten mag de landelijke overheid geen maatregelen treffen waardoor een verhuurder geen redelijk rendement kan maken op verhuurde woningen. De verhuurder meende dat de Nederlandse overheid dit deed door in de huurprijswetgeving slechts een beperkte aanpassing van de huurprijzen toe te staan waardoor de aan eigenaren berekende rioolrechten niet mogen of kunnen worden doorberekend aan de huurders.
Daaruit volgt niet dat rioolrechten niet bij de eigenaren in rekening mogen worden gebracht, maar hooguit dat zij wel mogen worden doorberekend.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verhuurder afgewezen. Het aangehaalde arrest van het EHRM had betrekking op een samenstel van regels dat voor verhuurders in Polen leidde tot een structureel verliesgevende exploitatie. De Nederlandse regels die het rendement van verhuurde onroerende zaken beïnvloeden kunnen daarmee niet op één lijn worden gesteld. Evenmin is sprake van een buitensporige last voor de verhuurder.
De Hoge Raad merkt verder op dat zelfs als de Nederlandse regels in strijd zouden zijn met het Protocol bij het EVRM, rechtsherstel op verschillende manieren kan worden geboden. Het gaat om politieke keuzes die niet tot de rechtsvormende taak van de rechter behoren. Compensatie van de verhuurder door tussenkomst van de belastingrechter is ook in dat geval niet aan de orde.