Heffing loonbelasting over gage buitenlandse sportclub
De Wet op de Loonbelasting bevat een bepaling waardoor van buitenlandse gezelschappen die in Nederland sportprestaties verrichten loonbelasting kan worden geheven. Dat gebeurt door inhouding op de betaalde vergoeding door de persoon of de instelling die met het buitenlandse gezelschap de sportbeoefening is overeengekomen.
Op basis van deze bepaling legde de belastingdienst een naheffingsaanslag op aan een Nederlandse profvoetbalclub die in 2002 een vriendschappelijke wedstrijd had gespeeld tegen een Engelse club. De Nederlandse club betaalde een bedrag van € 133.000 aan de Engelse club voor deze wedstrijd, zonder loonbelasting in te houden op dit bedrag. De Engelse club betaalde haar spelers naast het reguliere salaris niet voor deze wedstrijd. De naheffingsaanslag loonbelasting bedroeg 20% van het betaalde bedrag.
Er volgde een procedure voor de rechtbank, waarbij in geschil was of de Nederlandse wettelijke bepalingen in strijd zijn met het EG-verdrag, met name wanneer de buitenlandse club niets doorbetaalt aan de individuele sporters. Het EG-verdrag verbiedt beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap. De rechtbank was van oordeel dat de Nederlandse regeling van de heffing van loonbelasting van buitenlandse gezelschappen over de niet doorbetaalde ontvangen vergoeding een beperking van het vrij verrichten van diensten vormde. Een dergelijke beperking is alleen toegestaan als deze een algemeen belang dient, mits de regeling de verwezenlijking van dat algemene belang waarborgt en de beperking niet verder gaat dan nodig is om het doel te bereiken.
Volgens de rechtbank is er eigenlijk sprake van een invorderingsprocedure van de in Nederland verschuldigde loonbelasting wegens sportbeoefening in Nederland tegen beloning die alleen geldt voor buitenlandse clubs. De regeling geldt namelijk niet wanneer aan een Nederlandse club een vergoeding wordt betaald voor het spelen van een wedstrijd.
De regeling is geen passend middel voor de fiscale behandeling van in Nederland belastbare inkomsten van een buitenlandse club. De Nederlandse belastingdienst had de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk kunnen vragen om inlichtingen of om bijstand bij de invordering van de Nederlandse belastingschuld. De Engelse belastingdienst is verplicht aan een dergelijk verzoek mee te werken. De rechtbank hield in het oordeel rekening met de gedeeltelijke afschaffing per 1 januari 2007 van deze regeling omdat de regeling niet eenvoudig en efficiënt toepasbaar was. De rechtbank heeft de opgelegde naheffingsaanslag vernietigd.
Hof Den Haag oordeelde anders. Volgens het hof was de naheffingsaanslag niet in strijd met het EG-verdrag (tegenwoordig Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie, VWEU).
Voor het geval wel sprake was van een beperking van het vrij verrichten van diensten, meende het hof dat daarvoor een rechtvaardiging bestond omdat met de regeling een doel van algemeen belang werd nagestreefd en dat de regeling niet verder ging dan noodzakelijk was om dat doel te bereiken.
Volgens de Hoge Raad bestaat er gerede twijfel of de bronheffing van buitenlandse gezelschappen in het licht van de door het Hof van Justitie EU gewezen jurisprudentie een beperking vormt van het vrije verkeer van diensten. Er is zowel jurisprudentie die daarop lijkt te wijzen als jurisprudentie die de andere kant op lijkt te wijzen. Verder is de vraag of, zo sprake is van een beperking van het vrije verkeer van diensten, die beperking kan worden gerechtvaardigd. De Hoge Raad heeft daarom besloten enkele prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie EU.
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Wet op de Loonbelasting bevat een bepaling waardoor van buitenlandse gezelschappen die in Nederland sportprestaties verrichten loonbelasting kan worden geheven. Dat gebeurt door inhouding op de betaalde vergoeding door de persoon of de instelling die met het buitenlandse gezelschap de sportbeoefening is overeengekomen. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Op basis van deze bepaling legde de belastingdienst een naheffingsaanslag op aan een Nederlandse profvoetbalclub die in 2002 een vriendschappelijke wedstrijd had gespeeld tegen een Engelse club. De Nederlandse club betaalde een bedrag van € 133.000 aan de Engelse club voor deze wedstrijd, zonder loonbelasting in te houden op dit bedrag. De Engelse club betaalde haar spelers naast het reguliere salaris niet voor deze wedstrijd. De naheffingsaanslag loonbelasting bedroeg 20% van het betaalde bedrag. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Er volgde een procedure voor de rechtbank, waarbij in geschil was of de Nederlandse wettelijke bepalingen in strijd zijn met het EG-verdrag, met name wanneer de buitenlandse club niets doorbetaalt aan de individuele sporters. Het EG-verdrag verbiedt beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap. De rechtbank was van oordeel dat de Nederlandse regeling van de heffing van loonbelasting van buitenlandse gezelschappen over de niet doorbetaalde ontvangen vergoeding een beperking van het vrij verrichten van diensten vormde. Een dergelijke beperking is alleen toegestaan als deze een algemeen belang dient, mits de regeling de verwezenlijking van dat algemene belang waarborgt en de beperking niet verder gaat dan nodig is om het doel te bereiken. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p> </o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Volgens de rechtbank is er eigenlijk sprake van een invorderingsprocedure van de in Nederland verschuldigde loonbelasting wegens sportbeoefening in Nederland tegen beloning die alleen geldt voor buitenlandse clubs. De regeling geldt namelijk niet wanneer aan een Nederlandse club een vergoeding wordt betaald voor het spelen van een wedstrijd. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De regeling is geen passend middel voor de fiscale behandeling van in Nederland belastbare inkomsten van een buitenlandse club. De Nederlandse belastingdienst had de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk kunnen vragen om inlichtingen of om bijstand bij de invordering van de Nederlandse belastingschuld. De Engelse belastingdienst is verplicht aan een dergelijk verzoek mee te werken. De rechtbank hield in het oordeel rekening met de gedeeltelijke afschaffing per 1 januari 2007 van deze regeling omdat de regeling niet eenvoudig en efficiënt toepasbaar was. De rechtbank heeft de opgelegde naheffingsaanslag vernietigd. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><o:p> </o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Den Haag oordeelde anders. Volgens het hof was de naheffingsaanslag niet in strijd met het EG-verdrag (tegenwoordig Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie, VWEU).</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Voor het geval wel sprake was van een beperking van het vrij verrichten van diensten, meende het hof dat daarvoor een rechtvaardiging bestond omdat met de regeling een doel van algemeen belang werd nagestreefd en dat de regeling niet verder ging dan noodzakelijk was om dat doel te bereiken. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><SPAN style="mso-spacerun: yes"> </SPAN></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Volgens de Hoge Raad bestaat er gerede twijfel of de bronheffing van buitenlandse gezelschappen in het licht van de door het Hof van Justitie EU gewezen jurisprudentie een beperking vormt van het vrije verkeer van diensten. Er is zowel jurisprudentie die daarop lijkt te wijzen als jurisprudentie die de andere kant op lijkt te wijzen. Verder is de vraag of, zo sprake is van een beperking van het vrije verkeer van diensten, die beperking kan worden gerechtvaardigd. De Hoge Raad heeft daarom besloten enkele prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie EU.</P>