
De gemeente Amsterdam heft een zogenaamde vermakelijkheidsretributie te water van ondermeer de exploitanten van rondvaartboten. Een exploitant die met deze heffing werd geconfronteerd meende dat er sprake was van willekeurige en onredelijke belastingheffing, omdat het tarief niet afhankelijk was van de mate van de duur van het verblijf van een passagier op een rondvaartboot of van de prijs van een de rondvaart. De gemeente hield bij de tariefstelling geen rekening met milieuvriendelijkheid van rondvaartboten. Hof Amsterdam vond een tarief van € 0,55 per bezoeker echter niet onredelijk of willekeurig.
Wel was het hof van oordeel dat de gemeente het gelijkheidsbeginsel had geschonden door in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege te laten.
De exploitant had aangevoerd dat door de meerderheid van de met hem vergelijkbare gevallen geen aangifte voor de vermakelijkheidsretributie was gedaan, wat door de heffingsambtenaar werd gedoogd.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad leidt het hof af dat het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel ook van toepassing zijn als sprake is van een belasting die wordt voldaan op aangifte. De exploitant had een overzicht opgesteld van retributieplichtigen en het aantal gevallen waarin aangifte werd gedaan. De gemeentelijke heffingsambtenaar slaagde er niet de uitkomsten van het onderzoek te weerleggen. Het hof vond aannemelijk gemaakt dat de heffing van vermakelijkheidsretributie in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen achterwege was gebleven en droeg de gemeente op om aan de exploitant het door hem betaalde bedrag terug te betalen.