Gunning aandelen onroerend goed-BV vormde verkrijging economische eigendom
Overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van een onroerende zaak. Als onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting gelden ook de aandelen in een vennootschap die onroerende zaken exploiteert wanneer de bezittingen van de vennootschap voor 70 % of meer bestaan uit onroerende zaken. Overdrachtsbelasting is alleen verschuldigd als de persoon die aandelen in een dergelijke vennootschap verkrijgt een belang van meer dan 1/3 in de vennootschap heeft of krijgt door deze verkrijging. Op grond van deze bepaling legde de belastingdienst een viertal naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op. De aanslagen werden opgelegd aan de twee uiteindelijke verkrijgers en aan twee bij die uiteindelijke verkrijgers betrokken personen. Vanwege grote verschillen van inzicht tussen de aandeelhouders van de BV over het te voeren beleid werd besloten tot verkoop bij inschrijving van de aandelen. De bieding op de aandelen via inschrijving en de gunning aan de hoogste bieder vonden plaats op 26 januari 2001. Voordat de levering in april 2001 plaats had passeerde een aantal transacties. De hoogste bieder werd uiteindelijk voor 50 % houder van de aandelen van de BV. Naar het oordeel van Hof Den Bosch had de hoogste bieder op eigen naam op de aandelen geboden en deze in eigendom aanvaard. De hoogste bieder had bij de gunning de aandelen voor zichzelf verkregen en niet ook voor anderen. Aan de hoogste bieder was terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De aan de andere uiteindelijk betrokkene opgelegde naheffingsaanslag en boetebeschikking werden vernietigd.
Overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van een onroerende zaak. Als onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting gelden ook de aandelen in een vennootschap die onroerende zaken exploiteert wanneer de bezittingen van de vennootschap voor 70 % of meer bestaan uit onroerende zaken. Overdrachtsbelasting is alleen verschuldigd als de persoon die aandelen in een dergelijke vennootschap verkrijgt een belang van meer dan 1/3 in de vennootschap heeft of krijgt door deze verkrijging. Op grond van deze bepaling legde de belastingdienst een viertal naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op. De aanslagen werden opgelegd aan de twee uiteindelijke verkrijgers en aan twee bij die uiteindelijke verkrijgers betrokken personen. Vanwege grote verschillen van inzicht tussen de aandeelhouders van de BV over het te voeren beleid werd besloten tot verkoop bij inschrijving van de aandelen. De bieding op de aandelen via inschrijving en de gunning aan de hoogste bieder vonden plaats op 26 januari 2001. Voordat de levering in april 2001 plaats had passeerde een aantal transacties. De hoogste bieder werd uiteindelijk voor 50 % houder van de aandelen van de BV. Naar het oordeel van Hof Den Bosch had de hoogste bieder op eigen naam op de aandelen geboden en deze in eigendom aanvaard. De hoogste bieder had bij de gunning de aandelen voor zichzelf verkregen en niet ook voor anderen. Aan de hoogste bieder was terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De aan de andere uiteindelijk betrokkene opgelegde naheffingsaanslag en boetebeschikking werden vernietigd.