Goedkeurend besluit overdrachtsbelasting bij omzetting lidmaatschapsrecht in appartementsrecht
In een vraag- en antwoordbesluit geeft de staatssecretaris van Financiën een toelichting op de heffing van overdrachtsbelasting bij de omzetting van lidmaatschapsrechten in coöperatieve flatverenigingen in appartementsrechten. Het besluit bevat vier goedkeuringen.De eerste goedkeuring heeft betrekking op de omzetting van een lidmaatschapsrecht dat iemand heeft verkregen krachtens erfrecht of bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap. Naar de letter voldoet hij niet aan de voorwaarde dat hij bij die verkrijging overdrachtsbelasting heeft betaald. De staatssecretaris keurt goed, dat de door de rechtsvoorganger onder algemene titel of de echtgenoot betaalde overdrachtsbelasting wordt beschouwd als door de betrokkene zelf betaalde overdrachtsbelasting.De tweede goedkeuring heeft betrekking op de bijzondere situatie, waarin iemand de economische eigendom van een lidmaatschapsrecht heeft verkregen vóór 31 maart 1995. Tot die datum was daarbij geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Bij omzetting in een appartementsrecht voldoet de gerechtigde niet aan de voorwaarde dat hij bij de verkrijging overdrachtsbelasting heeft betaald. In het algemeen geldt dat bij de omzetting van het lidmaatschaprecht overdrachtsbelasting is verschuldigd.Een uitzondering geldt op grond van de goedkeuring voor de situatie waarin ouder en kind gezamenlijk en voor gelijke delen vóór 31 maart 1995 de juridische eigendom van een lidmaatschapsrecht hebben verkregen en het kind kort daarna de economische eigendom van zijn aandeel aan de ouder heeft verkocht. In dat geval wordt bij de omzetting van het lidmaatschapsrecht in een appartementsrecht geen overdrachtsbelasting geheven indien wordt aangetoond dat:- de doorverkoop van de (halve) economische eigendom plaatsvond bij notariële akte of geregistreerde akte binnen 3 maanden na de gezamenlijke aankoop en- ouder en kind over deze gezamenlijke aankoop overdrachtsbelasting betaalden en- de eigendomsverhoudingen voor en na de omzetting hetzelfde zijn.De derde goedkeuring heeft betrekking op de omzetting van een lidmaatschapsrecht dat iemand heeft verkregen bij een verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners. Over dat gedeelte is geen overdrachtsbelasting betaald, omdat er een vrijstelling geldt. Bij de latere omzetting is dan overdrachtsbelasting verschuldigd. In het verleden heeft de belastingdienst dergelijke omzettingen wel vrijgesteld in een aantal gevallen. Ter voorkoming van discussie over opgewekt vertrouwen keurt de staatssecretaris goed dat in dergelijke gevallen de omzetting van een lidmaatschapsrecht (gedeeltelijk) is vrijgesteld mits deze plaatsvindt voor 1 januari 2006.De vierde goedkeuring heeft betrekking op de schenking van een aandeel in een gezamenlijk gekocht lidmaatschap aan de medegerechtigde. Bij de aankoop is overdrachtsbelasting betaald, maar voor de latere schenking geldt een vrijstelling. Bij omzetting van het lidmaatschapsrecht voldoet de gerechtigde dus niet aan de voorwaarde dat hij over het gehele recht overdrachtsbelasting heeft betaald bij de verkrijging. Bij de schenking is schenkingsrecht betaald tot een bedrag dat tenminste gelijk is aan de zonder vrijstelling verschuldigde overdrachtsbelasting. Heffing van overdrachtsbelasting bij omzetting zou niet redelijk zijn. Het bij de schenking betaalde schenkingsrecht mag worden aangemerkt als betaalde overdrachtsbelasting.
In een vraag- en antwoordbesluit geeft de staatssecretaris van Financiën een toelichting op de heffing van overdrachtsbelasting bij de omzetting van lidmaatschapsrechten in coöperatieve flatverenigingen in appartementsrechten. Het besluit bevat vier goedkeuringen.De eerste goedkeuring heeft betrekking op de omzetting van een lidmaatschapsrecht dat iemand heeft verkregen krachtens erfrecht of bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap. Naar de letter voldoet hij niet aan de voorwaarde dat hij bij die verkrijging overdrachtsbelasting heeft betaald. De staatssecretaris keurt goed, dat de door de rechtsvoorganger onder algemene titel of de echtgenoot betaalde overdrachtsbelasting wordt beschouwd als door de betrokkene zelf betaalde overdrachtsbelasting.De tweede goedkeuring heeft betrekking op de bijzondere situatie, waarin iemand de economische eigendom van een lidmaatschapsrecht heeft verkregen vóór 31 maart 1995. Tot die datum was daarbij geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Bij omzetting in een appartementsrecht voldoet de gerechtigde niet aan de voorwaarde dat hij bij de verkrijging overdrachtsbelasting heeft betaald. In het algemeen geldt dat bij de omzetting van het lidmaatschaprecht overdrachtsbelasting is verschuldigd.Een uitzondering geldt op grond van de goedkeuring voor de situatie waarin ouder en kind gezamenlijk en voor gelijke delen vóór 31 maart 1995 de juridische eigendom van een lidmaatschapsrecht hebben verkregen en het kind kort daarna de economische eigendom van zijn aandeel aan de ouder heeft verkocht. In dat geval wordt bij de omzetting van het lidmaatschapsrecht in een appartementsrecht geen overdrachtsbelasting geheven indien wordt aangetoond dat:- de doorverkoop van de (halve) economische eigendom plaatsvond bij notariële akte of geregistreerde akte binnen 3 maanden na de gezamenlijke aankoop en- ouder en kind over deze gezamenlijke aankoop overdrachtsbelasting betaalden en- de eigendomsverhoudingen voor en na de omzetting hetzelfde zijn.De derde goedkeuring heeft betrekking op de omzetting van een lidmaatschapsrecht dat iemand heeft verkregen bij een verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners. Over dat gedeelte is geen overdrachtsbelasting betaald, omdat er een vrijstelling geldt. Bij de latere omzetting is dan overdrachtsbelasting verschuldigd. In het verleden heeft de belastingdienst dergelijke omzettingen wel vrijgesteld in een aantal gevallen. Ter voorkoming van discussie over opgewekt vertrouwen keurt de staatssecretaris goed dat in dergelijke gevallen de omzetting van een lidmaatschapsrecht (gedeeltelijk) is vrijgesteld mits deze plaatsvindt voor 1 januari 2006.De vierde goedkeuring heeft betrekking op de schenking van een aandeel in een gezamenlijk gekocht lidmaatschap aan de medegerechtigde. Bij de aankoop is overdrachtsbelasting betaald, maar voor de latere schenking geldt een vrijstelling. Bij omzetting van het lidmaatschapsrecht voldoet de gerechtigde dus niet aan de voorwaarde dat hij over het gehele recht overdrachtsbelasting heeft betaald bij de verkrijging. Bij de schenking is schenkingsrecht betaald tot een bedrag dat tenminste gelijk is aan de zonder vrijstelling verschuldigde overdrachtsbelasting. Heffing van overdrachtsbelasting bij omzetting zou niet redelijk zijn. Het bij de schenking betaalde schenkingsrecht mag worden aangemerkt als betaalde overdrachtsbelasting.