Gewijzigd inzicht van de inspecteur is geen reden voor navordering

Een in België wonende DGA werkte zowel voor een in Nederland gevestigde BV als voor een in België gevestigde NV. Sinds een arrest van het Hof van Justitie EG van 30 januari 1997, nr. C-340/94 (De Jaeck) is duidelijk naar welk recht de werkzaamheden moeten worden beoordeeld voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving. Naar Nederlands recht gelden de werkzaamheden in Nederland als werkzaamheden in loondienst. De werkzaamheden in België moeten naar Belgisch recht worden beoordeeld en gelden als werkzaamheden anders dan in loondienst. Op grond van de EG-verordening 1408/71 over de samenloop van sociale zekerheidswetgeving is in een dergelijke situatie zowel de Nederlandse als de Belgische wetgeving van toepassing. Naar aanleiding van dat arrest legde de belastingdienst aan de DGA een navorderingsaanslag premieheffing volksverzekeringen op over het jaar 1993. Premieheffing in Nederland was aanvankelijk en over een reeks van jaren achterwege gebleven omdat de inspecteur van mening was dat in Nederland premieheffing over het Nederlandse arbeidsinkomen niet was toegestaan. In de procedure naar aanleiding van de navorderingsaanslag was in de eerste plaats in geschil of de inspecteur wel over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte. Hof Den Bosch stelde voorop dat een verandering van inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht geen grond oplevert voor het opleggen van een navorderingsaanslag. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die in de aangifte zijn vermeld. Alleen als de inspecteur, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid daarvan twijfelt, moet hij nader onderzoek doen. Het Hof was van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag over het jaar 1993 niet zonder meer had mogen uitgaan van de juistheid van het door de DGA in zijn aangifte ingenomen standpunt dat hij niet verzekerd was. De inspecteur had een nader onderzoek moeten instellen naar de aard van de werkzaamheden in België. Het standpunt van de inspecteur dat een directeur-aandeelhouder met een minderheidsbelang voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving van België als werkzaam in loondienst wordt aangemerkt, berustte op een onjuist inzicht in de feiten of in het recht. Het gewijzigde inzicht van de inspecteur kon geen aanleiding geven tot navordering. Gezien de bestaande onzekerheid over de kwalificatie van werkzaamheden voor de sociale zekerheidswetgeving had de DGA naar het oordeel van het Hof niet bewust een onjuist standpunt ingenomen. Dat betekende dat de kwade trouw, die bij het ontbreken van een nieuw feit een grond voor navordering vormt, bij de DGA ontbrak. Het Hof vernietigde de opgelegde navorderingsaanslag.
Een in België wonende DGA werkte zowel voor een in Nederland gevestigde BV als voor een in België gevestigde NV. Sinds een arrest van het Hof van Justitie EG van 30 januari 1997, nr. C-340/94 (De Jaeck) is duidelijk naar welk recht de werkzaamheden moeten worden beoordeeld voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving. Naar Nederlands recht gelden de werkzaamheden in Nederland als werkzaamheden in loondienst. De werkzaamheden in België moeten naar Belgisch recht worden beoordeeld en gelden als werkzaamheden anders dan in loondienst. Op grond van de EG-verordening 1408/71 over de samenloop van sociale zekerheidswetgeving is in een dergelijke situatie zowel de Nederlandse als de Belgische wetgeving van toepassing. Naar aanleiding van dat arrest legde de belastingdienst aan de DGA een navorderingsaanslag premieheffing volksverzekeringen op over het jaar 1993. Premieheffing in Nederland was aanvankelijk en over een reeks van jaren achterwege gebleven omdat de inspecteur van mening was dat in Nederland premieheffing over het Nederlandse arbeidsinkomen niet was toegestaan. In de procedure naar aanleiding van de navorderingsaanslag was in de eerste plaats in geschil of de inspecteur wel over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte. Hof Den Bosch stelde voorop dat een verandering van inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht geen grond oplevert voor het opleggen van een navorderingsaanslag. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die in de aangifte zijn vermeld. Alleen als de inspecteur, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid daarvan twijfelt, moet hij nader onderzoek doen. Het Hof was van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag over het jaar 1993 niet zonder meer had mogen uitgaan van de juistheid van het door de DGA in zijn aangifte ingenomen standpunt dat hij niet verzekerd was. De inspecteur had een nader onderzoek moeten instellen naar de aard van de werkzaamheden in België. Het standpunt van de inspecteur dat een directeur-aandeelhouder met een minderheidsbelang voor de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving van België als werkzaam in loondienst wordt aangemerkt, berustte op een onjuist inzicht in de feiten of in het recht. Het gewijzigde inzicht van de inspecteur kon geen aanleiding geven tot navordering. Gezien de bestaande onzekerheid over de kwalificatie van werkzaamheden voor de sociale zekerheidswetgeving had de DGA naar het oordeel van het Hof niet bewust een onjuist standpunt ingenomen. Dat betekende dat de kwade trouw, die bij het ontbreken van een nieuw feit een grond voor navordering vormt, bij de DGA ontbrak. Het Hof vernietigde de opgelegde navorderingsaanslag.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u