
Kwijtschelding van een vordering in de zakelijke sfeer leidt in beginsel tot belastbare winst voor de schuldenaar. Er geldt een vrijstelling van kwijtscheldingswinst wanneer de kwijtgescholden vordering door de financiële toestand van de schuldenaar niet kan worden geïnd. Deze vrijstelling geldt slechts voor zover de schuldenaar niet over nog te verrekenen verliezen beschikt. Heeft de schuldenaar wel verliezen die nog verrekend kunnen worden, dan wordt de belastbare kwijtscheldingswinst daarmee verrekend. Sommige vorderingen worden tot het kapitaal gerekend. Als dat het geval is leidt een kwijtschelding niet tot belastbare winst.
Een BV had tot eind 2005 drie aandeelhouders. Deze aandeelhouders waren zogenaamde management-BV’s, die gezamenlijk het bestuur van de BV vormden. In verband met de slechte gang van zaken bij de BV verkochten de management-BV’s hun aandelen in de BV. In het kader van die verkoop scholden zij ook de diverse vorderingen die zij hadden op de BV kwijt. De vraag was of en in hoeverre de kwijtschelding gevolgen had voor de belastbare winst van de BV.
Het ging om een tweetal leningen, waarvan de eerste ad €
Het totale bedrag van € 606.732 werd in de aangifte vennootschapsbelasting over 2005 vermeld onder het kopje overige vrijgestelde winstbestanddelen.
De inspecteur corrigeerde de aangegeven belastbare winst bij de aanslagregeling op dit punt.
Hof Leeuwarden vond aannemelijk dat de management-BV’s in 1998 uit aandeelhoudersmotieven een onzakelijk debiteurenrisico hadden aanvaard. Afwaardering van deze vordering door de management-BV’s lag in de kapitaalsfeer. Dat betekende volgens het hof dat het voordeel van de kwijtschelding ook in de kapitaalsfeer lag en de inspecteur de correctie dus ten onrechte had aangebracht.
De lening uit 2003 vormde naar het oordeel van het hof informeel kapitaal omdat de situatie in 2003 al zo slecht was dat terugbetaling niet te verwachten was. Ook in dit geval gold dat kwijtschelding niet tot een belaste bate bij de BV leidde.
Ten aanzien van de managementvergoedingen vond het hof niet aannemelijk dat al direct duidelijk was dat deze geheel of gedeeltelijk niet zouden kunnen worden betaald. De niet betaalde vergoedingen waren niet omgezet in geldleningen, die vervolgens als informeel kapitaal moesten worden aangemerkt vanwege de slechte financiële situatie van de BV. De kwijtschelding van de schuldig gebleven managementvergoedingen was belast.
Ten aanzien van de pensioenvorderingen stelde het hof vast dat de BV nog steeds een verplichting tot betaling van pensioenpremies had als onderdeel van de financiële afspraken uit de managementovereenkomsten. Die verplichting bleek uit een zogenaamde side letter die ten tijde van de aandelenoverdracht was opgesteld. Volgens het hof was de inspecteur er ten onrechte vanuit gegaan dat deze verplichting was vervallen.