Gesloopt pand blijft bedrijfsmiddel: herinvesteringsreserve mogelijk na verkoop
Voor de boekwinst die een ondernemer behaalt bij de verkoop van een bedrijfsmiddel kan hij een herinvesteringsreserve (tot 2001: vervangingsreserve) vormen. Voor de vorming van een dergelijke reserve moet de ondernemer een vervangings- resp. herinvesteringsvoornemen hebben. De vorming van een herinvesteringsreserve heeft uitstel van belastingheffing over de boekwinst tot gevolg. In een procedure voor de rechtbank Arnhem was in geschil of een door een BV verkochte onroerende zaak wel een bedrijfsmiddel was. De BV had voor de bij de verkoop van de zaak in 2000 behaalde boekwinst een vervangingsreserve en voor de in 2001 behaalde boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd. De inspecteur had de vorming van een vervangingsreserve over 2000 toegestaan maar bestreed de vorming van een herinvesteringsreserve in 2001. De onroerende zaak was aanvankelijk verhuurd kantoor met een werkplaats en kwalificeerde toen als bedrijfsmiddel. Vervolgens werden de opstallen gesloopt en werd de grond verkaveld en verkocht voor woningbouw. Door de ingrijpende bewerkingen was volgens de inspecteur het karakter van de onroerende zaak gewijzigd in voorraad. Volgens de rechtbank geldt als uitgangspunt dat de kwalificatie als bedrijfsmiddel niet verandert door het besluit tot verkoop of door het in afwachting van een geschikt verkoopmoment niet meer te exploiteren. Wel kan een als bedrijfsmiddel gekwalificeerde onroerende zaak door wijziging van de omstandigheden binnen het ondernemingsvermogen een andere functie innemen waardoor niet langer sprake is van een bedrijfsmiddel maar van voorraad. De sloopwerkzaamheden en de verkaveling van de onroerende zaak pasten naar het oordeel van de rechtbank in het kader van normale verkoopactiviteiten van een bedrijfsmiddel. Vervolgens moest de rechtbank de vraag of de BV ultimo 2000 en 2001 het voornemen had om het vervreemde bedrijfsmiddel te vervangen door een bedrijfsmiddel dat economisch dezelfde plaats in de onderneming in zou nemen. Het begrip vervanging moet volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2006 ruim worden uitgelegd. De BV wilde een verhuurd kantoorgebouw met werkplaats vervangen door voor de verhuur bestemde appartementen en bedrijfsruimten. De verschillen tussen deze objecten in aard en doelgroep vond de rechtbank van onderschikt belang.
Voor de boekwinst die een ondernemer behaalt bij de verkoop van een bedrijfsmiddel kan hij een herinvesteringsreserve (tot 2001: vervangingsreserve) vormen. Voor de vorming van een dergelijke reserve moet de ondernemer een vervangings- resp. herinvesteringsvoornemen hebben. De vorming van een herinvesteringsreserve heeft uitstel van belastingheffing over de boekwinst tot gevolg. In een procedure voor de rechtbank Arnhem was in geschil of een door een BV verkochte onroerende zaak wel een bedrijfsmiddel was. De BV had voor de bij de verkoop van de zaak in 2000 behaalde boekwinst een vervangingsreserve en voor de in 2001 behaalde boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd. De inspecteur had de vorming van een vervangingsreserve over 2000 toegestaan maar bestreed de vorming van een herinvesteringsreserve in 2001. De onroerende zaak was aanvankelijk verhuurd kantoor met een werkplaats en kwalificeerde toen als bedrijfsmiddel. Vervolgens werden de opstallen gesloopt en werd de grond verkaveld en verkocht voor woningbouw. Door de ingrijpende bewerkingen was volgens de inspecteur het karakter van de onroerende zaak gewijzigd in voorraad. Volgens de rechtbank geldt als uitgangspunt dat de kwalificatie als bedrijfsmiddel niet verandert door het besluit tot verkoop of door het in afwachting van een geschikt verkoopmoment niet meer te exploiteren. Wel kan een als bedrijfsmiddel gekwalificeerde onroerende zaak door wijziging van de omstandigheden binnen het ondernemingsvermogen een andere functie innemen waardoor niet langer sprake is van een bedrijfsmiddel maar van voorraad. De sloopwerkzaamheden en de verkaveling van de onroerende zaak pasten naar het oordeel van de rechtbank in het kader van normale verkoopactiviteiten van een bedrijfsmiddel. Vervolgens moest de rechtbank de vraag of de BV ultimo 2000 en 2001 het voornemen had om het vervreemde bedrijfsmiddel te vervangen door een bedrijfsmiddel dat economisch dezelfde plaats in de onderneming in zou nemen. Het begrip vervanging moet volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2006 ruim worden uitgelegd. De BV wilde een verhuurd kantoorgebouw met werkplaats vervangen door voor de verhuur bestemde appartementen en bedrijfsruimten. De verschillen tussen deze objecten in aard en doelgroep vond de rechtbank van onderschikt belang.