Genietingstijdstip uitgestelde rente
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is er een speciaal regime gekomen voor de inkomsten uit sparen en beleggen. Dat regime, bekend als box 3, kent een vast tarief van 30% over een forfaitaire opbrengst van 4% van het vermogen. Rente- en dividendinkomsten vielen voorheen onder het progressieve tarief van de oude Wet IB. Om te voorkomen dat door het uitstellen van rente en dividend tot na 2001 een belastingvoordeel behaald kon worden is er een overgangsregeling getroffen, waardoor nabetaalde rente die betrekking had op de periode voor 2001 progressief belast bleef. Deze regeling gold ook voor rente over vorderingen die met ingang van 2001 onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Daartoe behoren de vorderingen die een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft op zijn BV.
Een DGA die aan zijn BV een lening had verstrekt, sprak met zijn BV af dat de rente over 1998 pas op 31 december 2002 betaald hoefde te worden. De rente over 1999 zou pas op 31 december 2003 betaald hoeven te worden. Kort voor het moment waarop de rente over 1998 betaald zou moeten worden maakten de DGA en de BV nieuwe afspraken over de betaling van de rente over 1998 en 1999. De betaling werd nog 3 jaar uitgesteld. De belastingdienst belastte de rente over beide jaren in het jaar 2002 omdat de DGA in dat jaar over de rente had beschikt. Volgens de overgangsregeling is het beschikken over inkomsten een vorm van genieten van inkomsten.
De rechtbank volgde het standpunt van de belastingdienst wel voor de rente over 1998, maar niet voor de rente over 1999. Volgens de rechtbank betrof de beschikkingshandeling niet de rente maar de vordering. De eerder overeengekomen vervaldata van de rente waren volgens de rechtbank de momenten waarop de DGA de rente genoot. Dat was het jaar 2002 voor de rente over 1998 en het jaar 2003 voor de rente over 1999.
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is er een speciaal regime gekomen voor de inkomsten uit sparen en beleggen. Dat regime, bekend als box 3, kent een vast tarief van 30% over een forfaitaire opbrengst van 4% van het vermogen. Rente- en dividendinkomsten vielen voorheen onder het progressieve tarief van de oude Wet IB. Om te voorkomen dat door het uitstellen van rente en dividend tot na 2001 een belastingvoordeel behaald kon worden is er een overgangsregeling getroffen, waardoor nabetaalde rente die betrekking had op de periode voor 2001 progressief belast bleef. Deze regeling gold ook voor rente over vorderingen die met ingang van 2001 onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Daartoe behoren de vorderingen die een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft op zijn BV.
Een DGA die aan zijn BV een lening had verstrekt, sprak met zijn BV af dat de rente over 1998 pas op 31 december 2002 betaald hoefde te worden. De rente over 1999 zou pas op 31 december 2003 betaald hoeven te worden. Kort voor het moment waarop de rente over 1998 betaald zou moeten worden maakten de DGA en de BV nieuwe afspraken over de betaling van de rente over 1998 en 1999. De betaling werd nog 3 jaar uitgesteld. De belastingdienst belastte de rente over beide jaren in het jaar 2002 omdat de DGA in dat jaar over de rente had beschikt. Volgens de overgangsregeling is het beschikken over inkomsten een vorm van genieten van inkomsten.
De rechtbank volgde het standpunt van de belastingdienst wel voor de rente over 1998, maar niet voor de rente over 1999. Volgens de rechtbank betrof de beschikkingshandeling niet de rente maar de vordering. De eerder overeengekomen vervaldata van de rente waren volgens de rechtbank de momenten waarop de DGA de rente genoot. Dat was het jaar 2002 voor de rente over 1998 en het jaar 2003 voor de rente over 1999.