Genietingsmoment rente(vordering)
Een ondernemer had een grote schuld. De ondernemer was de erfgenaam van de schuldeiser. Toen de schuldeiser overleed viel de schuld van de ondernemer weg tegen de vordering die hij had geërfd van de schuldeiser. Volgens Hof Leeuwarden mocht de ondernemer de niet betaalde rente over die schuld niet ten laste van zijn winst brengen omdat de renteschuld door vermenging teniet was gegaan. Volgens het Hof werd de rentelast gecompenseerd met de winst die de ondernemer behaalde omdat zijn renteschuld door het legaat teniet was gegaan.
De Hoge Raad was het met het oordeel van het Hof niet eens. De ondernemer had de erfenis in de privésfeer en niet in de ondernemingssfeer verkregen. De vordering die de ondernemer wegens niet betaalde rente had verkregen was geen onderdeel van zijn ondernemingsvermogen. Het tenietgaan van de renteschuld door vermenging met de verkregen rentevordering was geen voordeel uit de onderneming. Na verwijzing diende Hof Arnhem vast te stellen of sprake was van inkomsten uit vermogen. Volgens het Hof waren de vervallen rentetermijnen tijdens het leven van de erflater omgezet in een vordering. Het bij wijze van legaat verkrijgen van deze vordering gold daarom niet als het genieten van inkomsten. Tegen deze uitspraak ging de inspecteur in cassatie. De Hoge Raad was van oordeel dat nergens uit bleek dat de rentetermijnen zouden zijn omgezet in een vordering. Dat had tot gevolg dat de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd werd. Hof Leeuwarden moet nu de vraag beantwoorden of vóór de afgifte van het legaat iemand anders geacht moeten worden de rente te hebben genoten. Als dat het geval is kan de ondernemer de rente niet nogmaals genieten. Zo niet, dan is de vraag of bij de ondernemer in het jaar waarover deze procedure gaat een genietingsmoment kan worden aangewezen. Daarbij is van belang dat vermenging van vordering en schuld geldt als een vorm van verrekenen en dus als genieten in de zin van de Wet IB 1964.
Een ondernemer had een grote schuld. De ondernemer was de erfgenaam van de schuldeiser. Toen de schuldeiser overleed viel de schuld van de ondernemer weg tegen de vordering die hij had geërfd van de schuldeiser. Volgens Hof Leeuwarden mocht de ondernemer de niet betaalde rente over die schuld niet ten laste van zijn winst brengen omdat de renteschuld door vermenging teniet was gegaan. Volgens het Hof werd de rentelast gecompenseerd met de winst die de ondernemer behaalde omdat zijn renteschuld door het legaat teniet was gegaan.
De Hoge Raad was het met het oordeel van het Hof niet eens. De ondernemer had de erfenis in de privésfeer en niet in de ondernemingssfeer verkregen. De vordering die de ondernemer wegens niet betaalde rente had verkregen was geen onderdeel van zijn ondernemingsvermogen. Het tenietgaan van de renteschuld door vermenging met de verkregen rentevordering was geen voordeel uit de onderneming. Na verwijzing diende Hof Arnhem vast te stellen of sprake was van inkomsten uit vermogen. Volgens het Hof waren de vervallen rentetermijnen tijdens het leven van de erflater omgezet in een vordering. Het bij wijze van legaat verkrijgen van deze vordering gold daarom niet als het genieten van inkomsten. Tegen deze uitspraak ging de inspecteur in cassatie. De Hoge Raad was van oordeel dat nergens uit bleek dat de rentetermijnen zouden zijn omgezet in een vordering. Dat had tot gevolg dat de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd werd. Hof Leeuwarden moet nu de vraag beantwoorden of vóór de afgifte van het legaat iemand anders geacht moeten worden de rente te hebben genoten. Als dat het geval is kan de ondernemer de rente niet nogmaals genieten. Zo niet, dan is de vraag of bij de ondernemer in het jaar waarover deze procedure gaat een genietingsmoment kan worden aangewezen. Daarbij is van belang dat vermenging van vordering en schuld geldt als een vorm van verrekenen en dus als genieten in de zin van de Wet IB 1964.