
De gemeente Tilburg hanteert als beleid voor de bepaling van de belastingplichtige voor gemeentelijke heffingen bij kamerbewoning de persoon die het langst geregistreerd staat als bewoner volgens de gemeentelijke basisadministratie. Dit beleid is gebaseerd op twee arresten van de Hoge Raad inzake kamerbewoners in de gemeente Tilburg. Omdat niet in alle gevallen het beleid kan worden toegepast, kennen de gemeentelijke heffingsverordeningen een restbepaling, om ook in die gevallen een belastingplichtige aan te kunnen wijzen.
Een procedure voor Hof Den Bosch betrof de vraag of een kamerbewoner terecht als belastingplichtige was aangewezen voor de rioolheffing door de gemeente.
Volgens de gemeentelijke heffingsverordening zijn alle bewoners van een perceel belastingplichtig voor het gebruikersdeel van de rioolheffing. Het gebruikersdeel van de rioolheffing is verschuldigd bij de aanvang van het jaar of het latere tijdstip van aanvang van de belastingplicht. Volgens de Gemeentewet kan, wanneer ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag aan een van hen worden opgelegd. De belastingschuldige die de belastingaanslag heeft voldaan, kan verhaal zoeken bij de andere belastingplichtigen voor hun aandeel.
De gemeente had de aanslag rioolheffing opgelegd aan iemand die op 1 januari van het belastingjaar wel bewoner was van het betreffende perceel, maar niet degene was die op dat moment het langst stond ingeschreven. Die keuze was niet in overeenstemming met het beleid van de gemeente. Volgens de heffingsambtenaar was gekozen voor deze bewoner, omdat de oudste ingeschrevene voor het opleggen van de aanslag was verhuisd. De kans dat de aanslag kon worden geïnd werd daarmee vergroot. Opmerkelijk was dat de als belastingplichtige aangewezen kamerbewoner ten tijde van het opleggen van de aanslag elders stond ingeschreven. De heffingsambtenaar had geen onderzoek gedaan naar de inkomens- en vermogenspositie van de kamerbewoners om te bepalen aan wie hij het best de aanslag kon opleggen.
Het hof was van oordeel dat de tenaamstelling van de aanslag in strijd was met de door de gemeente gehanteerde beleidsregels.