Gemeente was OB-ondernemer voor vervoer van gehandicapten
Volgens de Wet voorzieningen gehandicapten moet het gemeentebestuur zorg dragen voor vervoersvoorzieningen van in de gemeente wonende gehandicapten. De gemeente Deventer had in een verordening regels vastgesteld voor het verlenen van vervoersvoorzieningen voor gehandicapten. Een dergelijke vervoersvoorziening kon bestaan uit een collectief systeem van aanvullend, al dan niet openbaar, vervoer. Voor de uitvoering daarvan sloot de gemeente een overeenkomst met een vervoersbedrijf. De gehandicapte moest voor het vervoer een eigen bijdrage betalen aan de chauffeur. De eigen bijdragen werden verrekend met de maandelijkse betalingen door de gemeente aan het vervoersbedrijf. Volgens Hof Arnhem had de gemeente daarbij als overheid gehandeld en niet als ondernemer voor de omzetbelasting. Juridisch en feitelijk trad het vervoersbedrijf op als vervoerder van de gehandicapten en niet de gemeente. Er kon volgens het Hof slechts belastingplicht ontstaan als de gemeente personenvervoer verrichtte. De Hoge Raad was het met dit oordeel niet eens. Bij overeenkomst had het vervoersbedrijf zich tegenover de gemeente verplicht om door de gemeente aangewezen gehandicapte personen te vervoeren. Het vervoersbedrijf had daarvoor van de gemeente een vergoeding bedongen, uitgedrukt in een bepaald bedrag per reiziger per rit.
Volgens de Wet voorzieningen gehandicapten moet het gemeentebestuur zorg dragen voor vervoersvoorzieningen van in de gemeente wonende gehandicapten. De gemeente Deventer had in een verordening regels vastgesteld voor het verlenen van vervoersvoorzieningen voor gehandicapten. Een dergelijke vervoersvoorziening kon bestaan uit een collectief systeem van aanvullend, al dan niet openbaar, vervoer. Voor de uitvoering daarvan sloot de gemeente een overeenkomst met een vervoersbedrijf. De gehandicapte moest voor het vervoer een eigen bijdrage betalen aan de chauffeur. De eigen bijdragen werden verrekend met de maandelijkse betalingen door de gemeente aan het vervoersbedrijf. Volgens Hof Arnhem had de gemeente daarbij als overheid gehandeld en niet als ondernemer voor de omzetbelasting. Juridisch en feitelijk trad het vervoersbedrijf op als vervoerder van de gehandicapten en niet de gemeente. Er kon volgens het Hof slechts belastingplicht ontstaan als de gemeente personenvervoer verrichtte. De Hoge Raad was het met dit oordeel niet eens. Bij overeenkomst had het vervoersbedrijf zich tegenover de gemeente verplicht om door de gemeente aangewezen gehandicapte personen te vervoeren. Het vervoersbedrijf had daarvoor van de gemeente een vergoeding bedongen, uitgedrukt in een bepaald bedrag per reiziger per rit.