Gemeente mocht niet alle kosten verhalen via baatbelasting
De gemeente Apeldoorn stelde een baatbelasting in vanwege aanpassingen in het centrum. De eigenaar van een pand dat in de baatbelasting werd betrokken was het met de aanslag niet eens. Na verwijzing door de Hoge Raad moest uiteindelijk Hof Den Bosch zijn oordeel geven. Onder meer de volgende vragen waren inzet van het geschil.1. Kan baatbelasting worden geheven ondanks dat het bestemmingsplan dat de bestemming van de betreffende onroerende zaken toewijst, op het moment van vaststelling van de verordening nog niet onherroepelijk vast stond? 2. Worden alle registergoederen die baat hebben ook in de heffing betrokken?3. Mogen alle genoemde kosten via de baatbelasting verhaald worden?4. Is het tarief juist vastgesteld, nu de belanghebbende geen baat heeft bij de horecavoorzieningen, maar eerder last heeft daarvan omdat het hem niet is toegestaan een serre aan te bouwen?Het Hof oordeelde als volgt. Ad 1. De baatbelasting had betrekking op het verhaal van kosten van een aantal in de gemeentelijke verordening genoemde voorzieningen. Het voorzien in een bepaalde bestemming volgens het vigerende bestemmingsplan was niet als voorziening genoemd. De belastingplicht was niet afhankelijk van een bepaalde bestemming van de onroerende zaak volgens het vigerende bestemmingsplan. Het Hof beantwoordde deze vraag daarom bevestigend.Ad 2. De gemeente maakte volgens het Hof voldoende aannemelijk dat vanaf 1997 alle gebate objecten in de heffing zijn betrokken. Voor de jaren 1992 tot en met 1996 was een object abusievelijk niet in de heffing betrokken. De gemeente heeft deze vergissing hersteld voor zover dat nog mogelijk was. Aan deze omissie kon volgens het Hof niet het gevolg worden verbonden dat de Verordening of de tariefstelling van die Verordening onverbindend waren. Ook deze vraag beantwoordde het Hof bevestigend.Ad 3. De kosten van de reconstructie van een aantal kruisingen en van het aanbrengen van geluidisolatie aan een pand konden niet via de baatbelasting worden verhaald. De baat van deze voorzieningen lag bij andere onroerende zaken dan de onroerende zaken die waren gelegen binnen het bij de verordening aangegeven gebied. Ad 4. Het Hof merkte op dat bestemmingswijziging geen voorziening was in de zin van de Verordening, zodat voor de heffing van de baatbelasting het gebaat zijn bij de bestemmingswijziging niet van belang was. Voor de heffing van baatbelasting is niet van belang in welke mate een belastingplichtige gebruik maakt van de getroffen voorzieningen, maar of de onroerende zaak daarbij is gebaat. Het verschil in baat nam volgens het Hof niet weg dat de getroffen voorzieningen (het verfraaien van de straat, het verleggen van de leidingen en kabels en de mogelijkheid voor de aanleg van een terras of serre) voor alle belastingplichtigen gelijk waren. Dat de eigenaar in kwestie geen serre mocht bouwen lag aan het bestemmingsplan. Het Hof vond het verschil in baat onvoldoende om de gemeente te verplichten tot het instellen van een gedifferentieerd tarief. Ook deze vraag beantwoordde het Hof bevestigend. Uiteindelijk verminderde het Hof de aanslag baatbelasting vanwege de kosten die niet verhaald mochten worden en veroordeelde het Hof de gemeente tot vergoeding van de proceskosten.
De gemeente Apeldoorn stelde een baatbelasting in vanwege aanpassingen in het centrum. De eigenaar van een pand dat in de baatbelasting werd betrokken was het met de aanslag niet eens. Na verwijzing door de Hoge Raad moest uiteindelijk Hof Den Bosch zijn oordeel geven. Onder meer de volgende vragen waren inzet van het geschil.1. Kan baatbelasting worden geheven ondanks dat het bestemmingsplan dat de bestemming van de betreffende onroerende zaken toewijst, op het moment van vaststelling van de verordening nog niet onherroepelijk vast stond? 2. Worden alle registergoederen die baat hebben ook in de heffing betrokken?3. Mogen alle genoemde kosten via de baatbelasting verhaald worden?4. Is het tarief juist vastgesteld, nu de belanghebbende geen baat heeft bij de horecavoorzieningen, maar eerder last heeft daarvan omdat het hem niet is toegestaan een serre aan te bouwen?Het Hof oordeelde als volgt. Ad 1. De baatbelasting had betrekking op het verhaal van kosten van een aantal in de gemeentelijke verordening genoemde voorzieningen. Het voorzien in een bepaalde bestemming volgens het vigerende bestemmingsplan was niet als voorziening genoemd. De belastingplicht was niet afhankelijk van een bepaalde bestemming van de onroerende zaak volgens het vigerende bestemmingsplan. Het Hof beantwoordde deze vraag daarom bevestigend.Ad 2. De gemeente maakte volgens het Hof voldoende aannemelijk dat vanaf 1997 alle gebate objecten in de heffing zijn betrokken. Voor de jaren 1992 tot en met 1996 was een object abusievelijk niet in de heffing betrokken. De gemeente heeft deze vergissing hersteld voor zover dat nog mogelijk was. Aan deze omissie kon volgens het Hof niet het gevolg worden verbonden dat de Verordening of de tariefstelling van die Verordening onverbindend waren. Ook deze vraag beantwoordde het Hof bevestigend.Ad 3. De kosten van de reconstructie van een aantal kruisingen en van het aanbrengen van geluidisolatie aan een pand konden niet via de baatbelasting worden verhaald. De baat van deze voorzieningen lag bij andere onroerende zaken dan de onroerende zaken die waren gelegen binnen het bij de verordening aangegeven gebied. Ad 4. Het Hof merkte op dat bestemmingswijziging geen voorziening was in de zin van de Verordening, zodat voor de heffing van de baatbelasting het gebaat zijn bij de bestemmingswijziging niet van belang was. Voor de heffing van baatbelasting is niet van belang in welke mate een belastingplichtige gebruik maakt van de getroffen voorzieningen, maar of de onroerende zaak daarbij is gebaat. Het verschil in baat nam volgens het Hof niet weg dat de getroffen voorzieningen (het verfraaien van de straat, het verleggen van de leidingen en kabels en de mogelijkheid voor de aanleg van een terras of serre) voor alle belastingplichtigen gelijk waren. Dat de eigenaar in kwestie geen serre mocht bouwen lag aan het bestemmingsplan. Het Hof vond het verschil in baat onvoldoende om de gemeente te verplichten tot het instellen van een gedifferentieerd tarief. Ook deze vraag beantwoordde het Hof bevestigend. Uiteindelijk verminderde het Hof de aanslag baatbelasting vanwege de kosten die niet verhaald mochten worden en veroordeelde het Hof de gemeente tot vergoeding van de proceskosten.