
Een arbeidsovereenkomst komt vaak tot stand na onderhandeling tussen werkgever en werknemer. Toch is niet alles onderhandelbaar. Zo nemen werkgevers vaak een concurrentiebeding op om te verhinderen dat werknemers vertrekken naar een concurrent. Gaat de werknemer niet akkoord met het concurrentiebeding, dan zal de arbeidsovereenkomst niet tot stand komen. Een concurrentiebeding moet schriftelijk worden vastgelegd wil het rechtsgeldig zijn. Die eis wordt gesteld ter bescherming van de belangen van de werknemer, want een concurrentiebeding kan voor een werknemer een ernstige belemmering vormen om ergens anders te gaan werken. Bij verlenging of omzetting van een bestaande arbeidsovereenkomst moet het concurrentiebeding opnieuw worden vastgelegd, omdat anders de kans bestaat dat het niet meer geldig is. Aan de vastlegging worden eisen gesteld, zo blijkt uit de volgende casus.
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bevatte een concurrentiebeding. Op grond van dat beding was het de werknemer verboden om gedurende de arbeidsovereenkomst en twee jaren daarna concurrerende werkzaamheden te ontplooien. Na het verstrijken van de bepaalde tijd werd de arbeidsovereenkomst verlengd voor bepaalde tijd en daarna omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij de verlenging en de omzetting stuurde de werkgever de werknemer een brief waarin de verlenging resp. de omzetting werd bevestigd en waarin werd verwezen naar het oorspronkelijke arbeidscontract. Toen de werknemer de dienstbetrekking wilde beƫindigen wilde de werkgever hem aan het concurrentiebeding houden. De kantonrechter oordeelde dat het beding zijn geldigheid had verloren door het verstrijken van de tijd. De verlenging en omzetting betroffen volgens de kantonrechter nieuwe arbeidsovereenkomsten. Voor de geldigheid van een daarin opgenomen concurrentiebeding had weer aan het schriftelijkheidsvereiste moeten zijn voldaan. De kantonrechter vond dat daaraan niet was voldaan omdat in de brieven de tekst van het concurrentiebeding niet was opgenomen. Er werd zelfs niet expliciet naar het beding verwezen, al betwijfelde de kantonrechter of dat voldoende zou zijn voor de geldigheid van het concurrentiebeding.
De kantonrechter onderbouwde zijn oordeel door te verwijzen naar de eenzijdigheid van het opnemen van een concurrentiebeding. De belemmering die het concurrentiebeding oplevert voor de werknemer bij zijn vrije keuze van arbeid maakt dat van de werkgever verwacht mag worden dat hij ervoor zorgt de werknemer telkens weet wat hij tekent. Bij twijfel daarover wordt meestal in het voordeel van de werknemer beslist.