Geen winstcorrectie voor privévermogen
Een ondernemer kocht in 1993 een stuk landbouwgrond met het oog op een mogelijke bedrijfsverplaatsing. Hij rekende de grond tot zijn privévermogen. Na bestemmingswijziging en herinrichting van de grond verpachtte de ondernemer een deel aan een BV waarvan hij directeur en enig aandeelhouder was. De BV verhuurde vervolgens een klein gedeelte van de gepachte grond aan de eenmanszaak van de ondernemer. Volgens Hof Arnhem leidden deze omstandigheden er niet toe dat de grond verplicht ondernemingsvermogen van de eenmanszaak vormde. De ondernemer mocht het gekochte stuk grond rekenen tot zijn privévermogen.
Dat betekende dat er geen reden was voor de door de inspecteur aangebrachte winstcorrectie met betrekking tot een gedeelte van de grond, dat door de ondernemer was gebruikt voor de bouw van een woonhuis. De grond was niet onttrokken aan het ondernemingsvermogen. De inspecteur voerde nog aan dat de BV de economische eigendom van de grond had verkregen. Dat standpunt kon de inspecteur echter niet onderbouwen. Dat betekende dat er geen sprake kon zijn van een uitdeling van winst door de BV aan haar aandeelhouder.
De doorverkoop van een deel van de grond in 1999 leidde wel tot een belastbaar voordeel. Zowel de ondernemer als de BV had inspanningen verricht om de bestemming van de grond gewijzigd te krijgen en om de grond te ontwikkelen tot een bedrijventerrein. Volgens het Hof waren deze werkzaamheden omvangrijker dan wat normaal is bij vermogensbeheer. De aankoop van de grond was gedaan om daarmee een voorzienbaar voordeel te behalen. De meerwaarde die was gerealiseerd bij verkoop van een deel van de grond was daarom belast als voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.
Een ondernemer kocht in 1993 een stuk landbouwgrond met het oog op een mogelijke bedrijfsverplaatsing. Hij rekende de grond tot zijn privévermogen. Na bestemmingswijziging en herinrichting van de grond verpachtte de ondernemer een deel aan een BV waarvan hij directeur en enig aandeelhouder was. De BV verhuurde vervolgens een klein gedeelte van de gepachte grond aan de eenmanszaak van de ondernemer. Volgens Hof Arnhem leidden deze omstandigheden er niet toe dat de grond verplicht ondernemingsvermogen van de eenmanszaak vormde. De ondernemer mocht het gekochte stuk grond rekenen tot zijn privévermogen.
Dat betekende dat er geen reden was voor de door de inspecteur aangebrachte winstcorrectie met betrekking tot een gedeelte van de grond, dat door de ondernemer was gebruikt voor de bouw van een woonhuis. De grond was niet onttrokken aan het ondernemingsvermogen. De inspecteur voerde nog aan dat de BV de economische eigendom van de grond had verkregen. Dat standpunt kon de inspecteur echter niet onderbouwen. Dat betekende dat er geen sprake kon zijn van een uitdeling van winst door de BV aan haar aandeelhouder.
De doorverkoop van een deel van de grond in 1999 leidde wel tot een belastbaar voordeel. Zowel de ondernemer als de BV had inspanningen verricht om de bestemming van de grond gewijzigd te krijgen en om de grond te ontwikkelen tot een bedrijventerrein. Volgens het Hof waren deze werkzaamheden omvangrijker dan wat normaal is bij vermogensbeheer. De aankoop van de grond was gedaan om daarmee een voorzienbaar voordeel te behalen. De meerwaarde die was gerealiseerd bij verkoop van een deel van de grond was daarom belast als voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.