Geen waardevermindering door ontbreken voornemen duurzame zelfbewoning

Een ondernemer sloot met de belastingdienst een compromis over de waardedrukkende factor van de zelfbewoning van het bedrijfspand, dat bij de beëindiging van zijn onderneming naar zijn privévermogen over ging. De waarde in vrij te aanvaarden staat was minnelijk getaxeerd op ƒ 350.000. Als uitgangspunt voor de berekening van de boekwinst op het bedrijfspand ging de ondernemer in verband met zelfbewoning uit van een waarde van 80 % van de taxatiewaarde. Bij wijze van compromis werd uitgegaan van 90 % van de taxatiewaarde. De ondernemer beriep zich vervolgens op een besluit van Financiën uit 2001 dat betrekking heeft op de bepaling van de waardedruk wegens zelfbewoning bij de overgang van bedrijfspanden naar het privévermogen. Volgens dat besluit moest de waarde van het pand op 65 % van ƒ 350.000 worden gesteld. Hof Leeuwarden wees het beroep af. Partijen waren gebonden aan de door hen gesloten vaststellingsovereenkomst, zodat de ondernemer zich niet kon beroepen op het besluit. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Het besluit bevat namelijk een beleidsregel waar de belastingdienst zich aan moet houden. Deze regel gold voor alle aanslagen die op het tijdstip van publicatie nog niet onherroepelijk vaststonden. Afwijking was alleen mogelijk als de belanghebbende het uit dit beleid voortvloeiende percentage te laag vond. Het beleid had volgens het besluit in de praktijk het karakter van een compromis. Volgens de Hoge Raad is een vaststellingsovereenkomst weliswaar bindend voor de daarbij betrokken partijen, maar belet dat de inspecteur niet om aan de belastingplichtige een gunstiger regeling aan te bieden. De ondernemer had het recht om zich op de beleidsregel te beroepen onder het prijsgeven van zijn rechten uit de vaststellingsovereenkomst. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem om te onderzoeken of het pand wel was bestemd voor duurzame zelfbewoning. Het Hof stelde vast dat het pand ruim een jaar na staking van de onderneming was verkocht. Na de staking was het ondernemingsgedeelte van het pand niet aangepast. Wel was de ondernemer begonnen met het buitenschilderwerk. Al met al was het Hof van mening dat de ondernemer niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten tijde van de staking van plan was om geruime tijd in het pand te blijven wonen. Dat had tot gevolg dat de ondernemer geen recht had op toepassing van het beleid dat in het besluit was opgenomen maar dat de vaststellingsovereenkomst van kracht bleef.
Een ondernemer sloot met de belastingdienst een compromis over de waardedrukkende factor van de zelfbewoning van het bedrijfspand, dat bij de beëindiging van zijn onderneming naar zijn privévermogen over ging. De waarde in vrij te aanvaarden staat was minnelijk getaxeerd op ƒ 350.000. Als uitgangspunt voor de berekening van de boekwinst op het bedrijfspand ging de ondernemer in verband met zelfbewoning uit van een waarde van 80 % van de taxatiewaarde. Bij wijze van compromis werd uitgegaan van 90 % van de taxatiewaarde. De ondernemer beriep zich vervolgens op een besluit van Financiën uit 2001 dat betrekking heeft op de bepaling van de waardedruk wegens zelfbewoning bij de overgang van bedrijfspanden naar het privévermogen. Volgens dat besluit moest de waarde van het pand op 65 % van ƒ 350.000 worden gesteld. Hof Leeuwarden wees het beroep af. Partijen waren gebonden aan de door hen gesloten vaststellingsovereenkomst, zodat de ondernemer zich niet kon beroepen op het besluit. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Het besluit bevat namelijk een beleidsregel waar de belastingdienst zich aan moet houden. Deze regel gold voor alle aanslagen die op het tijdstip van publicatie nog niet onherroepelijk vaststonden. Afwijking was alleen mogelijk als de belanghebbende het uit dit beleid voortvloeiende percentage te laag vond. Het beleid had volgens het besluit in de praktijk het karakter van een compromis. Volgens de Hoge Raad is een vaststellingsovereenkomst weliswaar bindend voor de daarbij betrokken partijen, maar belet dat de inspecteur niet om aan de belastingplichtige een gunstiger regeling aan te bieden. De ondernemer had het recht om zich op de beleidsregel te beroepen onder het prijsgeven van zijn rechten uit de vaststellingsovereenkomst. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem om te onderzoeken of het pand wel was bestemd voor duurzame zelfbewoning. Het Hof stelde vast dat het pand ruim een jaar na staking van de onderneming was verkocht. Na de staking was het ondernemingsgedeelte van het pand niet aangepast. Wel was de ondernemer begonnen met het buitenschilderwerk. Al met al was het Hof van mening dat de ondernemer niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten tijde van de staking van plan was om geruime tijd in het pand te blijven wonen. Dat had tot gevolg dat de ondernemer geen recht had op toepassing van het beleid dat in het besluit was opgenomen maar dat de vaststellingsovereenkomst van kracht bleef.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u