Geen vrijval pensioenverplichting bij verplaatste pensioen-BV

Met een arrest van de Hoge Raad is een einde gekomen aan een langlopende procedure over de waarde van een pensioenverplichting bij overdracht aan een andere vennootschap, in het licht van een traject dat leidde tot afzien van de pensioenaanspraken door de pensioengerechtigde kort na de verplaatsing van de tweede vennootschap naar de Nederlandse Antillen. De pensioenuitkeringen moesten op 1 december 1995 ingaan. Op 30 november 1995 zagen de pensioengerechtigden af van hun rechten op uitkering. De inspecteur legde aan de pensioen-BV een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op over 1994, waarin hij rekening hield met een vrijval van de pensioenverplichting. Volgens Hof Den Bosch was er sprake van een samenstel van rechtshandelingen dat was gericht op het vermijden van Nederlandse belastingheffing over de vrijval van de pensioenverplichtingen. Daarom moest bij de verplaatsing van de leiding rekening gehouden worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Door de verplaatsing eindigde de belastingplicht in Nederland van de overnemer en moest deze belasting betalen over de meerwaarden die op dat moment in zijn vermogen aanwezig waren. Het Hof stelde de kans dat niet zou worden afgezien van de pensioenrechten op 5%. Volgens de Hoge Raad had al bij de overdracht van de pensioenvoorziening rekening moeten worden gehouden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Het Hof had daarom het bedrag dat voor de overname van de pensioenverplichting aan de overnemer is betaald ook moeten corrigeren. Na verwijzing was tussen partijen nog in geschil op welk bedrag de overnamesom voor de pensioenverplichting moest worden gesteld. De pensioen-BV stelde dit bedrag op 5% van de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 1993. De inspecteur stelde de overnamesom op 100% van de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 2003. Hof Arnhem vond aannemelijk dat er tussen de oprichtingsdatum en de verplaatsing van de feitelijke leiding van de pensioen-BV geen enkele verandering was opgetreden in de verwachting dat de pensioengerechtigde zou afzien van zijn pensioenrechten. Het Hof stelde de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 1993 vast op 5% van ƒ 952.000. Dat betekende dat de inspecteur ten onrechte een vrijval van de pensioenverplichting had belast in het jaar waarin de zetel werd verplaatst. In het tweede beroep in cassatie voerde de staatssecretaris van Financiën aan dat het Hof na verwijzing geen rekening had gehouden met de verzwaring van de bewijslast als gevolg van het niet doen van aangifte. De Hoge Raad was het daarmee eens, maar tot cassatie van de Hofuitspraak leidde dit niet. De kans dat de pensioengerechtigde zijn voornemen tot het afzien van zijn pensioenaanspraken niet tot uitvoering zou brengen werd in de periode van 31 december 1993 tot 1 juli 1994 alleen beïnvloed door een eventueel verschil in overlijdensrisico. Het overlijdensrisico was in die periode echter niet gewijzigd. Omdat vaststond dat de kans dat het voornemen om af te zien van de pensioenrechten niet tot uitvoering zou komen per 1 juli 1994 5% bedroeg, was volgens de Hoge Raad geen andere conclusie mogelijk dan dat die kans per 31 december 1993 ook 5% bedroeg.
Met een arrest van de Hoge Raad is een einde gekomen aan een langlopende procedure over de waarde van een pensioenverplichting bij overdracht aan een andere vennootschap, in het licht van een traject dat leidde tot afzien van de pensioenaanspraken door de pensioengerechtigde kort na de verplaatsing van de tweede vennootschap naar de Nederlandse Antillen. De pensioenuitkeringen moesten op 1 december 1995 ingaan. Op 30 november 1995 zagen de pensioengerechtigden af van hun rechten op uitkering. De inspecteur legde aan de pensioen-BV een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op over 1994, waarin hij rekening hield met een vrijval van de pensioenverplichting. Volgens Hof Den Bosch was er sprake van een samenstel van rechtshandelingen dat was gericht op het vermijden van Nederlandse belastingheffing over de vrijval van de pensioenverplichtingen. Daarom moest bij de verplaatsing van de leiding rekening gehouden worden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Door de verplaatsing eindigde de belastingplicht in Nederland van de overnemer en moest deze belasting betalen over de meerwaarden die op dat moment in zijn vermogen aanwezig waren. Het Hof stelde de kans dat niet zou worden afgezien van de pensioenrechten op 5%. Volgens de Hoge Raad had al bij de overdracht van de pensioenvoorziening rekening moeten worden gehouden met de verwachting, dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Het Hof had daarom het bedrag dat voor de overname van de pensioenverplichting aan de overnemer is betaald ook moeten corrigeren. Na verwijzing was tussen partijen nog in geschil op welk bedrag de overnamesom voor de pensioenverplichting moest worden gesteld. De pensioen-BV stelde dit bedrag op 5% van de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 1993. De inspecteur stelde de overnamesom op 100% van de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 2003. Hof Arnhem vond aannemelijk dat er tussen de oprichtingsdatum en de verplaatsing van de feitelijke leiding van de pensioen-BV geen enkele verandering was opgetreden in de verwachting dat de pensioengerechtigde zou afzien van zijn pensioenrechten. Het Hof stelde de waarde van de pensioenverplichting per 31 december 1993 vast op 5% van ƒ 952.000. Dat betekende dat de inspecteur ten onrechte een vrijval van de pensioenverplichting had belast in het jaar waarin de zetel werd verplaatst. In het tweede beroep in cassatie voerde de staatssecretaris van Financiën aan dat het Hof na verwijzing geen rekening had gehouden met de verzwaring van de bewijslast als gevolg van het niet doen van aangifte. De Hoge Raad was het daarmee eens, maar tot cassatie van de Hofuitspraak leidde dit niet. De kans dat de pensioengerechtigde zijn voornemen tot het afzien van zijn pensioenaanspraken niet tot uitvoering zou brengen werd in de periode van 31 december 1993 tot 1 juli 1994 alleen beïnvloed door een eventueel verschil in overlijdensrisico. Het overlijdensrisico was in die periode echter niet gewijzigd. Omdat vaststond dat de kans dat het voornemen om af te zien van de pensioenrechten niet tot uitvoering zou komen per 1 juli 1994 5% bedroeg, was volgens de Hoge Raad geen andere conclusie mogelijk dan dat die kans per 31 december 1993 ook 5% bedroeg.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u