Geen vrijstelling overdrachtsbelasting voor inbreng in CV
Twee BV’s met dezelfde groep aandeelhouders hielden zich bezig met de exploitatie van onroerende zaken. De aandeelhouders wilden één van de BV’s als vervangingsreserve-BV verkopen. In dat kader werden de onroerende zaken van de vervangingsreserve-BV overgedragen aan een door beide BV’s opgerichte CV. De vervangingsreserve-BV werd de commanditaire vennoot; de andere BV was de beherende vennoot. Korte tijd later droeg de eerste BV haar commanditaire belang over aan een dochter-BV. De aandelen in die BV werden overgedragen aan de BV, die de beherende vennoot was. De aandelen in de voormalige vervangingsreserve-BV werden verkocht aan een derde.
Bij de inbreng van de onroerende zaken in de CV werd een beroep gedaan op een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Het betrof de vrijstelling voor de verkrijging bij inbreng in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft. De inspecteur weigerde de vrijstelling omdat de CV naar zijn mening niet aan het maatschapscriterium voldeed. Hof Amsterdam was het daarmee eens. Volgens het burgerlijk recht is een maatschap een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkaar te delen. In een arrest uit 1985 overwoog de Hoge Raad dat voor een maatschap vereist is dat partijen actief samenwerken in het economische verkeer om door middel van hun inbreng voordeel te behalen. Zonder die actieve samenwerking is er geen maatschap en geen vennootschap waarop de vrijstelling van overdrachtsbelasting kan worden toegepast. Naar het oordeel van het Hof was hier geen samenwerkingsverband ontstaan, maar werd de CV slechts opgericht om de gewenste vermogensverschuivingen zonder overdrachtsbelasting mogelijk te maken. De vraag of voldaan is aan het maatschapscriterium moet niet alleen aan de hand van de inhoud van de akte van oprichting worden beoordeeld (formele toetsing), maar ook aan de hand van de werkelijke bedoeling van de partijen bij die akte (materiële toetsing). De inspecteur had bepaalde uitlatingen gedaan uitgaande van de veronderstelling dat de op te richten CV aan het maatschapscriterium zou voldoen. Omdat de CV daaraan gezien de door het Hof uitgevoerde materiële toetsing niet voldeed, kon zij er niet op vertrouwen dat de vrijstelling zou worden verleend, aldus het Hof. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof op dat onderdeel vernietigd. De CV had zich beroepen op de destijds (medio 1998) bestaande uitvoeringspraktijk. De vraag was of op dat moment wel materieel getoetst werd. Het Hof haalde in zijn uitspraak het bestaan van een werkinstructie van de belastingdienst uit 1997 aan. Die werkinstructie was geen onderdeel van de gedingstukken. In de uit 1998 daterende opvolger van die werkinstructie werd vermeld dat bij de toetsing aan het maatschapscriterium "meer de nadruk kwam te liggen op de achterliggende bedoeling van partijen". Toch vond het Hof het niet nodig dat de inspecteur de eerdere werkinstructie ter inzage gaf.
Twee BV’s met dezelfde groep aandeelhouders hielden zich bezig met de exploitatie van onroerende zaken. De aandeelhouders wilden één van de BV’s als vervangingsreserve-BV verkopen. In dat kader werden de onroerende zaken van de vervangingsreserve-BV overgedragen aan een door beide BV’s opgerichte CV. De vervangingsreserve-BV werd de commanditaire vennoot; de andere BV was de beherende vennoot. Korte tijd later droeg de eerste BV haar commanditaire belang over aan een dochter-BV. De aandelen in die BV werden overgedragen aan de BV, die de beherende vennoot was. De aandelen in de voormalige vervangingsreserve-BV werden verkocht aan een derde.
Bij de inbreng van de onroerende zaken in de CV werd een beroep gedaan op een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Het betrof de vrijstelling voor de verkrijging bij inbreng in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft. De inspecteur weigerde de vrijstelling omdat de CV naar zijn mening niet aan het maatschapscriterium voldeed. Hof Amsterdam was het daarmee eens. Volgens het burgerlijk recht is een maatschap een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkaar te delen. In een arrest uit 1985 overwoog de Hoge Raad dat voor een maatschap vereist is dat partijen actief samenwerken in het economische verkeer om door middel van hun inbreng voordeel te behalen. Zonder die actieve samenwerking is er geen maatschap en geen vennootschap waarop de vrijstelling van overdrachtsbelasting kan worden toegepast. Naar het oordeel van het Hof was hier geen samenwerkingsverband ontstaan, maar werd de CV slechts opgericht om de gewenste vermogensverschuivingen zonder overdrachtsbelasting mogelijk te maken. De vraag of voldaan is aan het maatschapscriterium moet niet alleen aan de hand van de inhoud van de akte van oprichting worden beoordeeld (formele toetsing), maar ook aan de hand van de werkelijke bedoeling van de partijen bij die akte (materiële toetsing). De inspecteur had bepaalde uitlatingen gedaan uitgaande van de veronderstelling dat de op te richten CV aan het maatschapscriterium zou voldoen. Omdat de CV daaraan gezien de door het Hof uitgevoerde materiële toetsing niet voldeed, kon zij er niet op vertrouwen dat de vrijstelling zou worden verleend, aldus het Hof. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof op dat onderdeel vernietigd. De CV had zich beroepen op de destijds (medio 1998) bestaande uitvoeringspraktijk. De vraag was of op dat moment wel materieel getoetst werd. Het Hof haalde in zijn uitspraak het bestaan van een werkinstructie van de belastingdienst uit 1997 aan. Die werkinstructie was geen onderdeel van de gedingstukken. In de uit 1998 daterende opvolger van die werkinstructie werd vermeld dat bij de toetsing aan het maatschapscriterium "meer de nadruk kwam te liggen op de achterliggende bedoeling van partijen". Toch vond het Hof het niet nodig dat de inspecteur de eerdere werkinstructie ter inzage gaf.