
Bij de verkrijging van onroerende zaken is overdrachtsbelasting verschuldigd. In een aantal gevallen geldt een vrijstelling. Er geldt een vrijstelling voor de verkrijging van tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken door kinderen van de ondernemer. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat de verkrijger(s) de onderneming van de ouder in zijn geheel voortzet(ten). Een pleegkind wordt met een kind gelijkgesteld. Sinds 1 januari 2006 geldt de vrijstelling ook voor broers, zusters en hun echtgenoten.
Bij deze uitbreiding van de toepassing van de vrijstelling heeft de wetgever niet de bedoeling gehad ook andere bedrijfsopvolgers dan familieleden van de ondernemer mee te nemen. Gevolg is dat de vrijstelling niet kan worden toegepast in een situatie waarin de onderneming niet alleen door familieleden wordt voortgezet. De vrijstelling is dan zelfs niet voor het aandeel van het familielid in de voortgezette onderneming van toepassing.