Geen vrijstelling bedrijfsfusie
Om belastingheffing in Frankrijk over vermogenswinst te voorkomen bij de overdracht van aandelen van een Franse holding van een internationaal concern, werden de aandelen van een Nederlandse kleindochtermaatschappij niet rechtstreeks overgedragen maar via een omweg. De nieuwe moedermaatschappij richtte een Engelse vennootschap op. Het aandelenkapitaal van deze vennootschap bestond uit 65.000.001 aandelen van nominaal € 1. De moedermaatschappij stortte € 2.452.228 in contanten en bleef het restant schuldig. Vervolgens gaf de over te dragen kleindochtermaatschappij voor hetzelfde bedrag aandelen uit aan de Engelse vennootschap, in ruil voor al haar activa en passiva. De werkelijke waarde van de aandelen van de Nederlandse kleindochter bedroeg net voor de uitgifte van nieuwe aandelen € 65.000.000. Voor dat bedrag kocht zij de aandelen die haar oorspronkelijke moedermaatschappij nog had in, waarna deze moeder werd geliquideerd. Daarna trok de Engelse vennootschap de nieuw uitgegeven 65.000.000 aandelen in onder de verplichting de aandelen in de Nederlandse kleindochtermaatschappij over te dragen aan de nieuwe moedermaatschappij. Voor de kapitaalsbelasting werd wegens de uitgifte van de aandelen van nominaal € 2.452.228 aangifte gedaan met een beroep op de bedrijfsfusievrijstelling. De inspecteur wees dat beroep af.
Volgens Hof Den Haag was dat terecht omdat belastingverijdeling het belangrijkste motief was en geen enkel zakelijk doel werd gediend met de gekozen opzet. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen.
Om belastingheffing in Frankrijk over vermogenswinst te voorkomen bij de overdracht van aandelen van een Franse holding van een internationaal concern, werden de aandelen van een Nederlandse kleindochtermaatschappij niet rechtstreeks overgedragen maar via een omweg. De nieuwe moedermaatschappij richtte een Engelse vennootschap op. Het aandelenkapitaal van deze vennootschap bestond uit 65.000.001 aandelen van nominaal € 1. De moedermaatschappij stortte € 2.452.228 in contanten en bleef het restant schuldig. Vervolgens gaf de over te dragen kleindochtermaatschappij voor hetzelfde bedrag aandelen uit aan de Engelse vennootschap, in ruil voor al haar activa en passiva. De werkelijke waarde van de aandelen van de Nederlandse kleindochter bedroeg net voor de uitgifte van nieuwe aandelen € 65.000.000. Voor dat bedrag kocht zij de aandelen die haar oorspronkelijke moedermaatschappij nog had in, waarna deze moeder werd geliquideerd. Daarna trok de Engelse vennootschap de nieuw uitgegeven 65.000.000 aandelen in onder de verplichting de aandelen in de Nederlandse kleindochtermaatschappij over te dragen aan de nieuwe moedermaatschappij. Voor de kapitaalsbelasting werd wegens de uitgifte van de aandelen van nominaal € 2.452.228 aangifte gedaan met een beroep op de bedrijfsfusievrijstelling. De inspecteur wees dat beroep af.
Volgens Hof Den Haag was dat terecht omdat belastingverijdeling het belangrijkste motief was en geen enkel zakelijk doel werd gediend met de gekozen opzet. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen.