Geen voorziening voor werknemersopties

Een BV kende optierechten op eigen aandelen toe aan een van haar werknemers. Om aan deze optieverplichting te kunnen voldoen moest de BV eigen aandelen inkopen. Op 31 december 2001 had de BV nog geen dekkingsaankoop gedaan. De BV wilde een voorziening vormen op haar balans in verband met de optieverplichting. Bij het vaststellen van de aanslag accepteerde de inspecteur de voorziening niet. In de procedure naar aanleiding van deze correctie deed de BV een beroep op uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën in de Tweede Kamer. Volgens deze uitlatingen zouden dekkingsinkopen ter voldoening aan optieverplichtingen aftrekbaar zijn. Dergelijke uitlatingen zijn, anders dan de BV veronderstelde, geen beleidsregels voor de belastingdienst. Uit arresten van de Hoge Raad van 21 februari 2001 volgt dat het voldoen aan optieverplichtingen als in deze casus buiten de winstsfeer van de BV om gaat. Dat betekent dat niet mogelijk is om ten laste van de winst een voorziening te vormen voor dekkingsaankopen. Naar aanleiding van deze arresten heeft de staatssecretaris in een besluit goedgekeurd dat belastingplichtigen die voor de datum van deze arresten dekkingsinkopen hadden gedaan de kosten daarvan in aftrek van de winst konden brengen. Het beroep van de BV op ongelijke behandeling in dit besluit is door de Hoge Raad afgewezen, omdat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging was voor de in het besluit opgenomen goedkeuring. Deze goedkeuring was bedoeld als tegemoetkoming voor het door de uitlatingen van de staatssecretaris mogelijk opgewekte vertrouwen. Door de genoemde arresten was de grond voor dergelijk vertrouwen weggenomen. Het verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die dekkingsinkopen hebben gedaan vóór 22 februari 2001 en belastingplichtigen die dat niet hebben gedaan was geoorloofd volgens de Hoge Raad.
Een BV kende optierechten op eigen aandelen toe aan een van haar werknemers. Om aan deze optieverplichting te kunnen voldoen moest de BV eigen aandelen inkopen. Op 31 december 2001 had de BV nog geen dekkingsaankoop gedaan. De BV wilde een voorziening vormen op haar balans in verband met de optieverplichting. Bij het vaststellen van de aanslag accepteerde de inspecteur de voorziening niet.
In de procedure naar aanleiding van deze correctie deed de BV een beroep op uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën in de Tweede Kamer. Volgens deze uitlatingen zouden dekkingsinkopen ter voldoening aan optieverplichtingen aftrekbaar zijn. Dergelijke uitlatingen zijn, anders dan de BV veronderstelde, geen beleidsregels voor de belastingdienst.
Uit arresten van de Hoge Raad van 21 februari 2001 volgt dat het voldoen aan optieverplichtingen als in deze casus buiten de winstsfeer van de BV om gaat. Dat betekent dat niet mogelijk is om ten laste van de winst een voorziening te vormen voor dekkingsaankopen.
Naar aanleiding van deze arresten heeft de staatssecretaris in een besluit goedgekeurd dat belastingplichtigen die voor de datum van deze arresten dekkingsinkopen hadden gedaan de kosten daarvan in aftrek van de winst konden brengen.
Het beroep van de BV op ongelijke behandeling in dit besluit is door de Hoge Raad afgewezen, omdat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging was voor de in het besluit opgenomen goedkeuring. Deze goedkeuring was bedoeld als tegemoetkoming voor het door de uitlatingen van de staatssecretaris mogelijk opgewekte vertrouwen. Door de genoemde arresten was de grond voor dergelijk vertrouwen weggenomen.
Het verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die dekkingsinkopen hebben gedaan vóór 22 februari 2001 en belastingplichtigen die dat niet hebben gedaan was geoorloofd volgens de Hoge Raad.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u