
Een werkgever die een seniorenverlofregeling invoerde om werknemers van 60 jaar en ouder in dienst te houden, wilde een voorziening vormen voor de toekomstige uitgaven van deze regeling. De regeling hield in dat werknemers konden kiezen voor een arbeidstijdverkorting van 20% vanaf 60 jaar, 30% vanaf 62 jaar en 40% vanaf 64 jaar tegen inlevering van respectievelijk 10, 15 en 20% van het bruto maandsalaris.
Hof Amsterdam was van oordeel dat goed koopmansgebruik het vormen van een voorziening voor de seniorenverlofregeling niet toeliet. De uitgaven voor de seniorenverlofregeling konden namelijk niet worden toegerekend aan de periode voorafgaande aan de balansdatum.
De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof bevestigd. De meerkosten van de seniorenverlofregeling worden gemaakt in de jaren waarin werknemers gebruik maken van de seniorenverlofregeling. De lasten die de werkgever heeft, vormen salarislasten in de jaren waarin het verlof wordt opgenomen . Deze lasten moeten worden toegerekend aan de door de werknemer in die jaren te verrichten arbeidsprestaties.