
De Hoge Raad heeft in het zogenaamde Baksteenarrest uit 1998 de voorwaarden geformuleerd waaraan voldaan moet zijn om een voorziening voor toekomstige uitgaven te kunnen vormen op de balans. Eén van die voorwaarden houdt in dat er een redelijke mate van zekerheid moet zijn dat de uitgaven zich in de toekomst zullen voordoen. De bewijslast dat er een redelijke mate van zekerheid is dat de uitgaven zich zullen voordoen, rust op de belanghebbende.
Een procedure voor de rechtbank Breda had betrekking op de vraag of een ondernemer op zijn balans per 31 december 2005 een voorziening kon vormen voor de kosten van bodemsanering. In 2006 verkocht de ondernemer een deel van zijn bedrijf. In 2008 kwam de koper erachter dat in het verleden mogelijk asbesthoudende materialen in de bodem waren verwerkt. De koper stelde de ondernemer aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade. De ondernemer wilde de kosten daarvan ten laste van zijn resultaat brengen door het vormen van een voorziening.
Op 31 december 2005 was de ondernemer echter nog niet verplicht tot vergoeding van enige schade ter zake van de bodemverontreiniging. Zelfs als de ondernemer wist dat zich asbesthoudende materialen in de grond bevonden, maakt dat nog niet dat hij ultimo 2005 met een redelijke mate van zekerheid kosten van bodemsanering kon verwachten. De rechtbank stond daarom de vorming van een voorziening in het jaar 2005 niet toe.