Geen voorziening overschot gestorte bedragen

Een vereniging trad op als bestuurder van een stichting. De leden van de vereniging waren ondernemers in een bepaalde branche. De stichting was opgericht om door de vereniging vastgestelde regelingen met betrekking tot rekenvergoedingen voor aangesloten ondernemers bij aanbestedingen van projecten uit te voeren. Deze ondernemers betaalden aan de stichting een calculatiekostenvergoeding over hun omzet en een administratiekostenvergoeding. Daartegenover hadden zij recht op een vergoeding voor projecten waarop zij hadden ingeschreven maar waarvoor zij geen opdracht hadden gekregen. De berekende administratiekosten van de stichting waren in een reeks van jaren hoger dan de door de stichting gemaakte kosten. De overschotten werden aanvankelijk gereserveerd, maar in latere jaren uitbetaald. De belastingdienst was van mening dat de jaarlijkse overschotten tot de belastbare winst van de stichting behoorden. De stichting deed ook betalingen aan regionale deelverenigingen. Volgens de belastingdienst vormden die betalingen geen kosten, maar ging het om winstuitkeringen. Deze betalingen kwamen daarom niet in mindering op de belastbare winst. Hof Amsterdam was van oordeel dat de stichting niet verplicht was om overschotten op de bijdragen in de administratiekosten terug te betalen. Er was dus geen sprake van kosten die de winst verminderden, maar van winstbestemming. Dat gold ook voor de betalingen aan de regioverenigingen. De stichting was niet verplicht tot die betalingen en er stond geen enkele prestatie tegenover. De Hoge Raad heeft de uitspraken van het Hof vernietigd. Het Hof oordeelde weliswaar terecht dat de stichting niet verplicht was op grond van de met haar leden bestaande regeling om overschotten op de bijdragen in de administratiekosten te restitueren, maar de stichting had voor de overschotten een passiefpost mogen vormen, omdat de stichting zichzelf niet gerechtigd achtte tot deze overschotten. Het Hof had zijn oordeel dat de stichting geen passiefpost mocht vormen meer moeten onderbouwen. De feitelijke terugbetalingen van overschotten in latere jaren waren ondernemingskosten en kwamen ten laste van de winst voor zover deze niet ten laste van een voorziening moesten worden gebracht. Na verwijzing oordeelde Hof Den Haag dat de stichting geen voorziening kon vormen voor de overschotten omdat niet aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening was voldaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet namelijk aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan: - de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode voor de balansdatum; - de uitgaven kunnen ook aan die periode worden toegerekend; - er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven daadwerkelijk zullen worden gedaan. Volgens het Hof maakte de stichting onvoldoende aannemelijk dat aan de laatste voorwaarde was voldaan. Het besluit tot terugbetaling werd pas in het jaar 1998 genomen. In de jaarstukken van 1996 voegde de stichting het overschot toe aan het eigen vermogen. De Hoge Raad stelde in het arrest vast dat de stichting met haar gehele vermogen een onderneming dreef. Dat betekende dat betalingen aftrekbaar zijn, tenzij de inspecteur de onzakelijkheid van de betalingen aannemelijk maakt. De inspecteur slaagde daar volgens Hof Arnhem niet in.
Een vereniging trad op als bestuurder van een stichting. De leden van de vereniging waren ondernemers in een bepaalde branche. De stichting was opgericht om door de vereniging vastgestelde regelingen met betrekking tot rekenvergoedingen voor aangesloten ondernemers bij aanbestedingen van projecten uit te voeren. Deze ondernemers betaalden aan de stichting een calculatiekostenvergoeding over hun omzet en een administratiekostenvergoeding. Daartegenover hadden zij recht op een vergoeding voor projecten waarop zij hadden ingeschreven maar waarvoor zij geen opdracht hadden gekregen. De berekende administratiekosten van de stichting waren in een reeks van jaren hoger dan de door de stichting gemaakte kosten. De overschotten werden aanvankelijk gereserveerd, maar in latere jaren uitbetaald. De belastingdienst was van mening dat de jaarlijkse overschotten tot de belastbare winst van de stichting behoorden. De stichting deed ook betalingen aan regionale deelverenigingen. Volgens de belastingdienst vormden die betalingen geen kosten, maar ging het om winstuitkeringen. Deze betalingen kwamen daarom niet in mindering op de belastbare winst. Hof Amsterdam was van oordeel dat de stichting niet verplicht was om overschotten op de bijdragen in de administratiekosten terug te betalen. Er was dus geen sprake van kosten die de winst verminderden, maar van winstbestemming. Dat gold ook voor de betalingen aan de regioverenigingen. De stichting was niet verplicht tot die betalingen en er stond geen enkele prestatie tegenover.
De Hoge Raad heeft de uitspraken van het Hof vernietigd. Het Hof oordeelde weliswaar terecht dat de stichting niet verplicht was op grond van de met haar leden bestaande regeling om overschotten op de bijdragen in de administratiekosten te restitueren, maar de stichting had voor de overschotten een passiefpost mogen vormen, omdat de stichting zichzelf niet gerechtigd achtte tot deze overschotten. Het Hof had zijn oordeel dat de stichting geen passiefpost mocht vormen meer moeten onderbouwen. De feitelijke terugbetalingen van overschotten in latere jaren waren ondernemingskosten en kwamen ten laste van de winst voor zover deze niet ten laste van een voorziening moesten worden gebracht. Na verwijzing oordeelde Hof Den Haag dat de stichting geen voorziening kon vormen voor de overschotten omdat niet aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening was voldaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet namelijk aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:
  • de toekomstige uitgaven vinden hun oorsprong in feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode voor de balansdatum;
  • de uitgaven kunnen ook aan die periode worden toegerekend;
  • er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven daadwerkelijk zullen worden gedaan.
Volgens het Hof maakte de stichting onvoldoende aannemelijk dat aan de laatste voorwaarde was voldaan. Het besluit tot terugbetaling werd pas in het jaar 1998 genomen. In de jaarstukken van 1996 voegde de stichting het overschot toe aan het eigen vermogen.
De Hoge Raad stelde in het arrest vast dat de stichting met haar gehele vermogen een onderneming dreef. Dat betekende dat betalingen aftrekbaar zijn, tenzij de inspecteur de onzakelijkheid van de betalingen aannemelijk maakt. De inspecteur slaagde daar volgens Hof Arnhem niet in.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u