Geen verzekeringsplicht voor werkzaamheden van voormalig DGA
Drie directeuren waren via hun persoonlijke vennootschap ieder voor 1/3 deel aandeelhouder van een BV. Eén van de aandeelhouders wilde zich terugtrekken en verkocht zijn aandelen aan de BV. Voor een deel van de koopsom kreeg hij een vordering van € 450.000 op de BV. Na de verkoop van de aandelen legde hij zijn directiefunctie neer, maar verrichtte hij nog wel werkzaamheden voor de BV. Het UWV was van mening dat er na de verkoop van de aandelen sprake was van verzekeringsplicht. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om aan te nemen dat sprake was van een gezagsverhouding tussen de BV en haar voormalige aandeelhouder. Het terugtreden van de voormalige aandeelhouder was een geleidelijk proces, waarbij materieel niet direct sprake was van een positiewisseling. De voormalige aandeelhouder hield gedurende deze periode een belangrijke positie binnen de onderneming. Verder had hij op grond van zijn substantiële lening aan de BV een aanzienlijke invloed op de financiële bedrijfsvoering. Door het ontbreken van een gezagsverhouding was niet voldaan aan de vereisten voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Ook zonder het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking kan er verzekeringsplicht bestaan als er een arbeidsverhouding is die met een dienstbetrekking kan worden gelijkgesteld. Er moet dan persoonlijk arbeid worden verricht op doorgaans twee dagen per week, de arbeidsverhouding moet zijn aangegaan voor een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen en het bruto inkomen per week moet ten minste 40% van het minimumloon bedragen. Hoewel aan die criteria was voldaan was de Centrale Raad van Beroep van oordeel dat de voormalige aandeelhouder deze arbeid verrichtte als zelfstandige. Voor hem gold niet de eis dat hij meer dan één opdrachtgever had, omdat hij zijn activiteiten aan het afbouwen was.
Drie directeuren waren via hun persoonlijke vennootschap ieder voor 1/3 deel aandeelhouder van een BV. Eén van de aandeelhouders wilde zich terugtrekken en verkocht zijn aandelen aan de BV. Voor een deel van de koopsom kreeg hij een vordering van € 450.000 op de BV. Na de verkoop van de aandelen legde hij zijn directiefunctie neer, maar verrichtte hij nog wel werkzaamheden voor de BV. Het UWV was van mening dat er na de verkoop van de aandelen sprake was van verzekeringsplicht. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om aan te nemen dat sprake was van een gezagsverhouding tussen de BV en haar voormalige aandeelhouder. Het terugtreden van de voormalige aandeelhouder was een geleidelijk proces, waarbij materieel niet direct sprake was van een positiewisseling. De voormalige aandeelhouder hield gedurende deze periode een belangrijke positie binnen de onderneming. Verder had hij op grond van zijn substantiële lening aan de BV een aanzienlijke invloed op de financiële bedrijfsvoering. Door het ontbreken van een gezagsverhouding was niet voldaan aan de vereisten voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Ook zonder het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking kan er verzekeringsplicht bestaan als er een arbeidsverhouding is die met een dienstbetrekking kan worden gelijkgesteld. Er moet dan persoonlijk arbeid worden verricht op doorgaans twee dagen per week, de arbeidsverhouding moet zijn aangegaan voor een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen en het bruto inkomen per week moet ten minste 40% van het minimumloon bedragen. Hoewel aan die criteria was voldaan was de Centrale Raad van Beroep van oordeel dat de voormalige aandeelhouder deze arbeid verrichtte als zelfstandige. Voor hem gold niet de eis dat hij meer dan één opdrachtgever had, omdat hij zijn activiteiten aan het afbouwen was.