Geen vervangingsvoornemen na verkoop assurantieportefeuille
Ondernemers kunnen voor de boekwinst die zij bij vervreemding van bedrijfsmiddelen behalen een herinvesteringsreserve vormen. Op die manier kan directe belastingheffing over de behaalde boekwinst worden voorkomen. De herinvesteringsreserve is de vervanger van de tot 1 januari 2001 bestaande vervangingsreserve. De vervangingsreserve stelde de aanwezigheid van een voornemen om het verkochte bedrijfsmiddel te vervangen als voorwaarde. Wanneer aan die voorwaarde niet (meer) werd voldaan was het bestaan van een vervangingsreserve niet mogelijk. De vraag was of een BV die tot 1 april 1999 een assurantiebemiddelingsbedrijf dreef voor de winst die zij behaalde bij de verkoop van de assurantieportefeuille een vervangingsreserve kon vormen. Bij de verkoop hadden de BV en haar DGA zich jegens de koper verbonden om gedurende vijf jaar in de regio geen activiteiten als assurantietussenpersoon uit te voeren. De DGA had alle beschikbare liquide middelen van de BV geleend. Na aflossing van de lening zou de BV de mogelijkheid tot herinvestering hebben. De rechtbank vond deze mogelijkheid onvoldoende om het bestaan van een vervangingsvoornemen uit af te kunnen leiden, zeker omdat iedere activiteit waaruit een dergelijk voornemen kon blijken ontbrak. Door de bij de verkoop vrijgekomen middelen te gebruiken voor de financieringsbehoefte van de DGA kon de BV deze niet meer gebruiken voor de investering in een vervangend bedrijfsmiddel. De vorming van een vervangingsreserve was onder deze omstandigheden niet mogelijk.
Ondernemers kunnen voor de boekwinst die zij bij vervreemding van bedrijfsmiddelen behalen een herinvesteringsreserve vormen. Op die manier kan directe belastingheffing over de behaalde boekwinst worden voorkomen. De herinvesteringsreserve is de vervanger van de tot 1 januari 2001 bestaande vervangingsreserve. De vervangingsreserve stelde de aanwezigheid van een voornemen om het verkochte bedrijfsmiddel te vervangen als voorwaarde. Wanneer aan die voorwaarde niet (meer) werd voldaan was het bestaan van een vervangingsreserve niet mogelijk. De vraag was of een BV die tot 1 april 1999 een assurantiebemiddelingsbedrijf dreef voor de winst die zij behaalde bij de verkoop van de assurantieportefeuille een vervangingsreserve kon vormen. Bij de verkoop hadden de BV en haar DGA zich jegens de koper verbonden om gedurende vijf jaar in de regio geen activiteiten als assurantietussenpersoon uit te voeren. De DGA had alle beschikbare liquide middelen van de BV geleend. Na aflossing van de lening zou de BV de mogelijkheid tot herinvestering hebben. De rechtbank vond deze mogelijkheid onvoldoende om het bestaan van een vervangingsvoornemen uit af te kunnen leiden, zeker omdat iedere activiteit waaruit een dergelijk voornemen kon blijken ontbrak. Door de bij de verkoop vrijgekomen middelen te gebruiken voor de financieringsbehoefte van de DGA kon de BV deze niet meer gebruiken voor de investering in een vervangend bedrijfsmiddel. De vorming van een vervangingsreserve was onder deze omstandigheden niet mogelijk.