Geen verplicht ondernemingsvermogen

De etikettering van vermogensbestanddelen van ondernemers is een lastige kwestie. Naast vermogensbestanddelen die door hun gebruik binnen de onderneming tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren en vermogensbestanddelen die verplicht privévermogen zijn, is er het keuzevermogen. De ondernemer heeft daarbij het keuzerecht om de vermogensbestanddelen tot zijn ondernemingsvermogen of tot zijn privévermogen te rekenen.

 

In een gecompliceerde casus was de vraag of een perceel grond tot het verplichte ondernemingsvermogen behoorde. Het perceel was aanvankelijk eigendom van een BV. Het perceel werd door de BV voor een periode van drie jaar verpacht aan de zoons van een van de aandeelhouders. Deze zoons dreven in maatschapsverband een onderneming, voor een deel op door de maatschap van de BV gepachte grond. Vooruitlopend op een splitsing van de BV in twee BV’s werd het perceel in 2000 verkocht aan beide aandeelhouders van de BV. Deze verkoop hing samen met het feit dat het perceel door de verouderde bomen en een gebrekkige drainage niet meer bedrijfsmatig te exploiteren was.

 

Vervolgens werd de BV gesplitst in twee BV’s, die ieder een van de voormalige aandeelhouders als enig aandeelhouder hadden. De BV van de vader ging een samenwerkingsverband aan met de maatschap van zijn zoons. Enkele jaren later maakte de vader gebruik van de mogelijkheid van de geruisloze terugkeer uit de BV. In de loop van dat jaar verkochten de vroegere aandeelhouders van de inmiddels gesplitste BV het perceel aan een woningbouwvereniging voor een fors bedrag, onder voorbehoud van een gebruiksrecht tot het moment waarop de bestemming van het perceel zou zijn gewijzigd. De inspecteur belastte de verkoopwinst voor zover deze de WEVAB overschreed. Daarvoor was nodig dat het perceel onderdeel van het ondernemingsvermogen vormde. De inspecteur rekende het perceel met toepassing van de foutenleer tot het verplichte ondernemingsvermogen van de vader. De vader was van mening dat het perceel verplicht privévermogen was of anders keuzevermogen.

 

Hof Amsterdam was van oordeel dat het perceel na de overdracht door de BV aan haar aandeelhouders tot het privévermogen was gaan behoren omdat zij geen onderneming dreven op dat moment en dus geen ondernemingsvermogen hadden. Door de geruisloze terugkeer uit de BV met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 was de vader per deze datum ondernemer geworden. De inspecteur slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het perceel tussen 1 januari 2001 en het tijdstip van de verkoop van het perceel in 2003 tot het ondernemingsvermogen was gaan behoren. Aan de door de inspecteur bepleite heretikettering kwam het hof niet toe.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De etikettering van vermogensbestanddelen van ondernemers is een lastige kwestie. Naast vermogensbestanddelen die door hun gebruik binnen de onderneming tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren en vermogensbestanddelen die verplicht privévermogen zijn, is er het keuzevermogen. De ondernemer heeft daarbij het keuzerecht om de vermogensbestanddelen tot zijn ondernemingsvermogen of tot zijn privévermogen te rekenen.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">In een gecompliceerde casus was de vraag of een perceel grond tot het verplichte ondernemingsvermogen behoorde. Het perceel was aanvankelijk eigendom van een BV. Het perceel werd door de BV voor een periode van drie jaar verpacht aan de zoons van een van de aandeelhouders. Deze zoons dreven in maatschapsverband een onderneming, voor een deel op door de maatschap van de BV gepachte grond. Vooruitlopend op een splitsing van de BV in twee BV’s werd het perceel in 2000 verkocht aan beide aandeelhouders van de BV. Deze verkoop hing samen met het feit dat het perceel door de verouderde bomen en een gebrekkige drainage niet meer bedrijfsmatig te exploiteren was.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Vervolgens werd de BV gesplitst in twee BV’s, die ieder een van de voormalige aandeelhouders als enig aandeelhouder hadden. De BV van de vader ging een samenwerkingsverband aan met de maatschap van zijn zoons. Enkele jaren later maakte de vader gebruik van de mogelijkheid van de geruisloze terugkeer uit de BV. In de loop van dat jaar verkochten de vroegere aandeelhouders van de inmiddels gesplitste BV het perceel aan een woningbouwvereniging voor een fors bedrag, onder voorbehoud van een gebruiksrecht tot het moment waarop de bestemming van het perceel zou zijn gewijzigd. De inspecteur belastte de verkoopwinst voor zover deze de WEVAB overschreed. Daarvoor was nodig dat het perceel onderdeel van het ondernemingsvermogen vormde. De inspecteur rekende het perceel met toepassing van de foutenleer tot het verplichte ondernemingsvermogen van de vader. De vader was van mening dat het perceel verplicht privévermogen was of anders keuzevermogen. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Amsterdam was van oordeel dat het perceel na de overdracht door de BV aan haar aandeelhouders tot het privévermogen was gaan behoren omdat zij geen onderneming dreven op dat moment en dus geen ondernemingsvermogen hadden. Door de geruisloze terugkeer uit de BV met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 was de vader per deze datum ondernemer geworden. De inspecteur slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het perceel tussen 1 januari 2001 en het tijdstip van de verkoop van het perceel in 2003 tot het ondernemingsvermogen was gaan behoren. Aan de door de inspecteur bepleite heretikettering kwam het hof niet toe.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u