Geen vermindering van afgesproken vergoeding
In verband met een gewijzigde financieringsstructuur voor geleverde ziekenhuisapparatuur werden de bestaande contracten aangepast. Zo werd niet langer het ziekenhuis, maar de financieringsmaatschappij aangemerkt als de afnemer van de apparatuur. De leverancier crediteerde het ziekenhuis in verband daarmee voor een bedrag van ƒ 716.065, vermeerderd met een bedrag van ƒ 125.311 aan omzetbelasting. Aan de financieringsmaatschappij werd hetzelfde bedrag in rekening gebracht. De leverancier verwerkte deze transactie in de administratie en in de aangifte omzetbelasting over de betreffende periode. In de aangifte omzetbelasting leidde dat enerzijds tot aftrek en anderzijds tot betalen van een bedrag van ƒ 125.311. De inspecteur corrigeerde de aftrek wegens het ontbreken van een factuur resp. een levering door het ziekenhuis aan de leverancier door het opleggen van een naheffingsaanslag.
Hof Den Haag was van oordeel dat de leverancier wegens een vermindering van de vergoeding tot nihil recht had op teruggaaf van omzetbelasting ter grootte van het nageheven bedrag.
Volgens de Hoge Raad was het niet de bedoeling van de drie betrokken partijen om de eerder voor de geleverde apparatuur bedongen vergoeding terug te betalen, maar was overname van de contracten de bedoeling. Het wetsartikel dat teruggaaf mogelijk maakt was in dit geval niet van toepassing.
Het Hof vond dat de inspecteur door het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd met de regels van goed bestuur had gehandeld en verwees naar een resolutie van de staatssecretaris van Financiën uit 1986.
Ook daarmee was de Hoge Raad het niet eens. Door een ondernemer in aftrek gebrachte omzetbelasting die is vermeld op een factuur waarbij een als omzetbelasting aangeduid bedrag in rekening wordt gebracht zonder dat op deze factuur een prestatie wordt vermeld van degene door wie dat bedrag in rekening wordt gebracht en zonder dat er een levering of een dienst is verricht, kan van die ondernemer worden nageheven. Dan wordt aan de toepassing van de eerder bedoelde resolutie niet toegekomen. De naheffing was ook op andere gronden niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de naheffingsaanslag in stand gelaten.
In verband met een gewijzigde financieringsstructuur voor geleverde ziekenhuisapparatuur werden de bestaande contracten aangepast. Zo werd niet langer het ziekenhuis, maar de financieringsmaatschappij aangemerkt als de afnemer van de apparatuur. De leverancier crediteerde het ziekenhuis in verband daarmee voor een bedrag van ƒ 716.065, vermeerderd met een bedrag van ƒ 125.311 aan omzetbelasting. Aan de financieringsmaatschappij werd hetzelfde bedrag in rekening gebracht. De leverancier verwerkte deze transactie in de administratie en in de aangifte omzetbelasting over de betreffende periode. In de aangifte omzetbelasting leidde dat enerzijds tot aftrek en anderzijds tot betalen van een bedrag van ƒ 125.311. De inspecteur corrigeerde de aftrek wegens het ontbreken van een factuur resp. een levering door het ziekenhuis aan de leverancier door het opleggen van een naheffingsaanslag.
Hof Den Haag was van oordeel dat de leverancier wegens een vermindering van de vergoeding tot nihil recht had op teruggaaf van omzetbelasting ter grootte van het nageheven bedrag.
Volgens de Hoge Raad was het niet de bedoeling van de drie betrokken partijen om de eerder voor de geleverde apparatuur bedongen vergoeding terug te betalen, maar was overname van de contracten de bedoeling. Het wetsartikel dat teruggaaf mogelijk maakt was in dit geval niet van toepassing.
Het Hof vond dat de inspecteur door het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd met de regels van goed bestuur had gehandeld en verwees naar een resolutie van de staatssecretaris van Financiën uit 1986.
Ook daarmee was de Hoge Raad het niet eens. Door een ondernemer in aftrek gebrachte omzetbelasting die is vermeld op een factuur waarbij een als omzetbelasting aangeduid bedrag in rekening wordt gebracht zonder dat op deze factuur een prestatie wordt vermeld van degene door wie dat bedrag in rekening wordt gebracht en zonder dat er een levering of een dienst is verricht, kan van die ondernemer worden nageheven. Dan wordt aan de toepassing van de eerder bedoelde resolutie niet toegekomen. De naheffing was ook op andere gronden niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de naheffingsaanslag in stand gelaten.