Geen vermindering Grondwaterbelasting voor oeverinfiltratie

Een drinkwaterbedrijf onttrok voor de productie grondwater aan de bodem. Dat gebeurde in de nabijheid van oppervlaktewater. Als gevolg van de onttrekking van grondwater infiltreerde dat oppervlaktewater via de oevers in de bodem. Voor het oppompen van grondwater moest het bedrijf grondwaterbelasting betalen. Het bedrijf claimde toepassing van de infiltratiekorting op die belasting vanwege het oppervlaktewater dat in de bodem verdween. De belastingdienst weigerde die korting, omdat er geen sprake was van kunstmatige infiltratie. Hof Den Haag was het met de belastingdienst eens. De natuurlijke infiltratie door de onttrekking van grondwater in de buurt van oppervlaktewater viel niet onder het begrip “op kunstmatige wijze in de bodem brengen van (oppervlakte)water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater”. In cassatie heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof bevestigd.De Hoge Raad verwees naar de wetshistorie bij een aanpassing van de Grondwaterwet in 1991. De definitie van infiltreren van water werd daarbij als volgt toegelicht: onder infiltreren wordt verstaan het kunstmatig in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater. De vraag of infiltratie vanuit oppervlaktewater door een oever naar een nabij gelegen gebied waaruit grondwater wordt onttrokken onder infiltratie volgens de Grondwaterwet valt, moet dan ook ontkennend worden beantwoord. Hier gaat het om grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever inzuigt in de bodem. Zelfs als oeverfiltratie is beoogd, is dit een natuurlijk proces en wordt niet via een menselijke activiteit water in de bodem gebracht, ter aanvulling van het grondwater. Het Hof verwees in zijn uitspraak naar deze passage en oordeelde dat op de betrokken waterwinplaatsen een proces verliep zoals weergegeven in het citaat uit de wetsgeschiedenis, dus van grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever in de bodem is ingezogen. Daarvan uitgaande kwam het Hof tot het oordeel dat er geen infiltreren van water plaatsvond. Dat oordeel was juist. De activiteiten van het waterbedrijf waren gericht op het onttrekken van water en niet op het in de bodem brengen van rivierwater.
Een drinkwaterbedrijf onttrok voor de productie grondwater aan de bodem. Dat gebeurde in de nabijheid van oppervlaktewater. Als gevolg van de onttrekking van grondwater infiltreerde dat oppervlaktewater via de oevers in de bodem. Voor het oppompen van grondwater moest het bedrijf grondwaterbelasting betalen. Het bedrijf claimde toepassing van de infiltratiekorting op die belasting vanwege het oppervlaktewater dat in de bodem verdween. De belastingdienst weigerde die korting, omdat er geen sprake was van kunstmatige infiltratie. Hof Den Haag was het met de belastingdienst eens. De natuurlijke infiltratie door de onttrekking van grondwater in de buurt van oppervlaktewater viel niet onder het begrip “op kunstmatige wijze in de bodem brengen van (oppervlakte)water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater”. In cassatie heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof bevestigd.De Hoge Raad verwees naar de wetshistorie bij een aanpassing van de Grondwaterwet in 1991. De definitie van infiltreren van water werd daarbij als volgt toegelicht: onder infiltreren wordt verstaan het kunstmatig in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater. De vraag of infiltratie vanuit oppervlaktewater door een oever naar een nabij gelegen gebied waaruit grondwater wordt onttrokken onder infiltratie volgens de Grondwaterwet valt, moet dan ook ontkennend worden beantwoord. Hier gaat het om grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever inzuigt in de bodem. Zelfs als oeverfiltratie is beoogd, is dit een natuurlijk proces en wordt niet via een menselijke activiteit water in de bodem gebracht, ter aanvulling van het grondwater. Het Hof verwees in zijn uitspraak naar deze passage en oordeelde dat op de betrokken waterwinplaatsen een proces verliep zoals weergegeven in het citaat uit de wetsgeschiedenis, dus van grondwateronttrekkingen in de nabijheid van rivieren etc., waarbij als gevolg van de onttrekking oppervlaktewater via de oever in de bodem is ingezogen. Daarvan uitgaande kwam het Hof tot het oordeel dat er geen infiltreren van water plaatsvond. Dat oordeel was juist. De activiteiten van het waterbedrijf waren gericht op het onttrekken van water en niet op het in de bodem brengen van rivierwater.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u