Geen verlies bij verkoop ter beschikking gesteld pand
Sinds 1 januari 2001 wordt de verhuur van een pand aan een BV waarin de verhuurder van het pand een belang van 5% of meer heeft gerangschikt onder het resultaat uit overige werkzaamheden. Dat betekent dat de opbrengst van de verhuur en de bij verkoop gerealiseerde meerwaarde van het pand belast zijn tegen het progressieve tarief van box 1, met andere woorden tegen maximaal 52%. Bij de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat in op 1 januari 2001 bestaande verhuursituaties moest worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de betreffende vermogensbestanddelen op dat tijdstip.
Een DGA die een pand verhuurde aan zijn BV zette het pand in september 2000 te koop. Volgens een taxatierapport bedroeg de waarde van het pand per 1 januari 2001 ƒ 3.800.000. De DGA verkocht het pand in mei 2001 voor ƒ 3.000.000. Het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs van ƒ 800.000 verwerkte de DGA als verlies in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001. De belastingdienst accepteerde dit verlies niet. De rechtbank Arnhem was van oordeel dat voor de waardebepaling van het pand per 1 januari 2001 moest worden uitgegaan van de verkoopprijs gelet op het geringe tijdsverloop tot aan het moment van verkoop. De hogere taxatie was gebaseerd op gebruik van het pand als horecapand, rekening houdend met technische installaties en inrichting die tot het bedrijfsvermogen van de BV behoorden. Deze zaken werden niet meeverkocht, maar waren voor de levering uit het pand verwijderd en werden vervolgens apart verkocht. Hof Arnhem deelde de opvatting van de inspecteur en van de rechtbank. Het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs bestond volgens deze opvatting uit huurdersinvesteringen. Deze investeringen waren niet door de DGA aan zijn BV ter beschikking gesteld, maar waren door de BV zelf gedaan. De waarde in het economische verkeer was niet hoger dan de korte tijd later gerealiseerde verkoopprijs.
Sinds 1 januari 2001 wordt de verhuur van een pand aan een BV waarin de verhuurder van het pand een belang van 5% of meer heeft gerangschikt onder het resultaat uit overige werkzaamheden. Dat betekent dat de opbrengst van de verhuur en de bij verkoop gerealiseerde meerwaarde van het pand belast zijn tegen het progressieve tarief van box 1, met andere woorden tegen maximaal 52%. Bij de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat in op 1 januari 2001 bestaande verhuursituaties moest worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de betreffende vermogensbestanddelen op dat tijdstip.
Een DGA die een pand verhuurde aan zijn BV zette het pand in september 2000 te koop. Volgens een taxatierapport bedroeg de waarde van het pand per 1 januari 2001 ƒ 3.800.000. De DGA verkocht het pand in mei 2001 voor ƒ 3.000.000. Het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs van ƒ 800.000 verwerkte de DGA als verlies in zijn aangifte inkomstenbelasting 2001. De belastingdienst accepteerde dit verlies niet. De rechtbank Arnhem was van oordeel dat voor de waardebepaling van het pand per 1 januari 2001 moest worden uitgegaan van de verkoopprijs gelet op het geringe tijdsverloop tot aan het moment van verkoop. De hogere taxatie was gebaseerd op gebruik van het pand als horecapand, rekening houdend met technische installaties en inrichting die tot het bedrijfsvermogen van de BV behoorden. Deze zaken werden niet meeverkocht, maar waren voor de levering uit het pand verwijderd en werden vervolgens apart verkocht. Hof Arnhem deelde de opvatting van de inspecteur en van de rechtbank. Het verschil tussen de taxatiewaarde en de verkoopprijs bestond volgens deze opvatting uit huurdersinvesteringen. Deze investeringen waren niet door de DGA aan zijn BV ter beschikking gesteld, maar waren door de BV zelf gedaan. De waarde in het economische verkeer was niet hoger dan de korte tijd later gerealiseerde verkoopprijs.