
De belastingdienst heeft de bevoegdheid om te weinig geheven inkomstenbelasting na te vorderen. Een navorderingsaanslag moet binnen vijf jaar na het verstrijken van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft zijn opgelegd. Voor uit het buitenland afkomstige of aangehouden bedragen geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EG mag de belastingdienst de verlengde navorderingstermijn niet zonder meer gebruiken, maar moet daar terughoudend mee omgegaan worden. Het bestaan van een verlengde termijn is geen vrijbrief om af te wachten.
De belastingdienst legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1998 op aan een belastingplichtige die alimentatie ontving van haar in het buitenland wonende ex-echtgenoot. De reguliere navorderingstermijn was al verstreken. De rechtbank was van oordeel dat de alimentatiebetalingen niet uit het buitenland stamden, zodat de verlengde navorderingstermijn niet kon worden toegepast. De rechtbank baseerde dit oordeel op het feit dat betaling plaats vond door een in Nederland gevestigde BV van de ex-echtgenoot op de Nederlandse bankrekening van de belastingplichtige. De betalingen waren daardoor niet buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst gehouden.
In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag anders dan de rechtbank. De alimentatiebetalingen waren afkomstig van de in het buitenland wonende ex-echtgenoot. De belastingplichtige had een aanspraak op de ex-echtgenoot. Daarmee waren de betalingen uit het buitenland afkomstig en kon in principe de verlengde termijn worden toegepast. De inspecteur wist echter al in 2003 dat de belastingplichtige in 1998 alimentatie had ontvangen. Ook de hoogte van het bedrag was hem toen bekend. Dat betekende dat de inspecteur binnen de normale navorderingstermijn een navorderingsaanslag op had kunnen leggen. Hij kon daarom geen beroep op de verlengde navorderingstermijn doen.