Geen verlaging energiepremie voor bovenwoning
Voor het aanbrengen van isolatievoorzieningen aan woningen bestond enkele jaren geleden een subsidieregeling. Bij het energiebedrijf kon een verzoek om toekenning van energiepremie worden ingediend. Eventuele bezwaren tegen de reactie op een verzoek om toekenning van energiepremie moesten bij de belastingdienst worden ingediend.
Na een aanvankelijke weigering kende de belastingdienst na gemaakt bezwaar de gevraagde energiepremie gedeeltelijk toe. De belanghebbende stelde beroep in bij het Hof. Het Hof oordeelde dat een hoger bedrag aan energiepremie dan de belastingdienst had vastgesteld moest worden toegekend. Dat bedrag was lager dan het bedrag waarom de belanghebbende had gevraagd. Geen van beide partijen was het eens met de beslissing van het Hof. Beiden gingen daarom in cassatie.
De inspecteur meende dat de belanghebbende te laat was gekomen met de factuur van een bedrijf dat de door hem gekochte dakisolatie had aangebracht. Op basis van die factuur had het Hof meer energiepremie toegekend. Volgens de inspecteur was sprake van een nieuw verzoek om toekenning van energiepremie, dat te laat was ingediend.
Dat standpunt was niet juist. Volgens de Hoge Raad was een correctie van de eerder ingediende aanvraag ook na de uitspraak op bezwaar nog mogelijk. Het aanvankelijke aanvraagformulier was niet juist. Door de factuur van het bedrijf dat de isolatie had aangebracht alsnog in te dienen was de onjuiste aanvraag hersteld.
Het Hof had wel moeten onderzoeken of degene die de isolatie had aangebracht ondernemer was. Omdat het Hof geen uitspraak had gedaan over het ondernemerschap vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Hof.
Het Hof kende de energiepremie slechts gedeeltelijk toe. Het pand bestond uit een bedrijfsgedeelte met een bovenwoning. Het bewoonde gedeelte was 50%. Het Hof vond dat de dakisolatie niet geheel aan de bovenetage toegerekend moest worden vanwege de invloed op het energieverbruik van de begane grond. De regelgeving maakte echter geen onderscheid naar het type woning. Zo’n onderscheid volgde ook niet uit de strekking van de regeling (het stimuleren van het aanbrengen van energiebesparende voorzieningen aan woningen). Hof Arnhem moet de zaak nu afhandelen.
Voor het aanbrengen van isolatievoorzieningen aan woningen bestond enkele jaren geleden een subsidieregeling. Bij het energiebedrijf kon een verzoek om toekenning van energiepremie worden ingediend. Eventuele bezwaren tegen de reactie op een verzoek om toekenning van energiepremie moesten bij de belastingdienst worden ingediend.
Na een aanvankelijke weigering kende de belastingdienst na gemaakt bezwaar de gevraagde energiepremie gedeeltelijk toe. De belanghebbende stelde beroep in bij het Hof. Het Hof oordeelde dat een hoger bedrag aan energiepremie dan de belastingdienst had vastgesteld moest worden toegekend. Dat bedrag was lager dan het bedrag waarom de belanghebbende had gevraagd. Geen van beide partijen was het eens met de beslissing van het Hof. Beiden gingen daarom in cassatie.
De inspecteur meende dat de belanghebbende te laat was gekomen met de factuur van een bedrijf dat de door hem gekochte dakisolatie had aangebracht. Op basis van die factuur had het Hof meer energiepremie toegekend. Volgens de inspecteur was sprake van een nieuw verzoek om toekenning van energiepremie, dat te laat was ingediend.
Dat standpunt was niet juist. Volgens de Hoge Raad was een correctie van de eerder ingediende aanvraag ook na de uitspraak op bezwaar nog mogelijk. Het aanvankelijke aanvraagformulier was niet juist. Door de factuur van het bedrijf dat de isolatie had aangebracht alsnog in te dienen was de onjuiste aanvraag hersteld.
Het Hof had wel moeten onderzoeken of degene die de isolatie had aangebracht ondernemer was. Omdat het Hof geen uitspraak had gedaan over het ondernemerschap vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Hof.
Het Hof kende de energiepremie slechts gedeeltelijk toe. Het pand bestond uit een bedrijfsgedeelte met een bovenwoning. Het bewoonde gedeelte was 50%. Het Hof vond dat de dakisolatie niet geheel aan de bovenetage toegerekend moest worden vanwege de invloed op het energieverbruik van de begane grond. De regelgeving maakte echter geen onderscheid naar het type woning. Zo’n onderscheid volgde ook niet uit de strekking van de regeling (het stimuleren van het aanbrengen van energiebesparende voorzieningen aan woningen). Hof Arnhem moet de zaak nu afhandelen.