
Een bedrijf, dat onderdelen voor zijn producten inkocht bij leveranciers binnen de Europese Gemeenschap (EG) en de ingekochte onderdelen buiten de EG liet assembleren tot eindproducten, diende bij de douane een aanvraag in voor een doorlopende vergunning passieve veredeling. Deze vergunning was nodig om te voorkomen dat invoerheffingen over de eindproducten moesten worden betaald wanneer deze na assemblage binnen de EG werden verkocht. De vergunning werd afgegeven met als ingangsdatum de datum van indiening van de aanvraag. Het bedrijf diende een verzoek in om de vergunning met terugwerkende kracht tot 1 jaar eerder in te laten gaan. Het bedrijf baseerde dat verzoek op bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheid werd aangemerkt de doorstart van het bedrijf na een faillissement in 2001. De douane wees het verzoek af omdat alleen sprake van buitengewone omstandigheden zou zijn indien de omstandigheden van buiten de onderneming komen en niet door de onderneming te beïnvloeden zijn.
De Douanekamer van Hof Amsterdam vond aannemelijk dat na de doorstart onzekerheid bestond of de oude afnemers bereid zouden zijn om producten af te nemen. Deze onzekerheid kon het aanvragen van de vergunning hebben vertraagd. De Douanekamer vond de omstandigheden bijzonder genoeg om terugwerkende kracht aan de vergunning te verlenen.
De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof niet en heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Volgens de Hoge Raad had het bedrijf de vergunning al eerder kunnen aanvragen, al was het maar voor de zekerheid. De onzekerheid over afzetmogelijkheden binnen de EG is geen buitengewone omstandigheid die de terugwerkende kracht van de vergunning kan rechtvaardigen.