Geen uitstel van belastingheffing over niet ontvangen bedragen
Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de prestaties die zij verrichten, tenzij er een vrijstelling geldt voor de geleverde diensten of goederen. De berekende omzetbelasting moet periodiek worden aangegeven en betaald aan de belastingdienst, onder aftrek van de voorbelasting. Volgens de wet wordt de omzetbelasting verschuldigd op het moment dat de factuur wordt uitgereikt of op het moment waarop dit uiterlijk had moeten worden gedaan. Een factuur moet vóór de vijftiende dag na de maand, waarin de levering of dienst is verricht, worden uitgereikt.
Een BV verrichtte in 2001 managementdiensten. Op de facturen die de BV aan de opdrachtgever stuurde vermeldde zij omzetbelasting. De BV verwerkte deze omzetbelasting niet in de aangiften en betaalde deze ook niet aan de belastingdienst. Omdat de opdrachtgever de facturen niet kon betalen, stuurde de BV in 2002 een creditnota voor het bedrag van de managementvergoeding inclusief omzetbelasting. De omzetbelasting werd echter niet afzonderlijk op de creditnota vermeld. De BV en de opdrachtgever spraken af, dat de in de oorspronkelijke facturen genoemde bedragen verschuldigd bleven, maar dat pas nieuwe facturen zouden worden gezonden wanneer de opdrachtgever in staat zou zijn om de rekeningen te betalen.
De belastingdienst legde na een boekenonderzoek een naheffingsaanslag op en een boete van 25% van de nageheven belasting. De BV bestreed de naheffingsaanslag en de boete omdat de vorderingen door de creditering teniet waren gegaan en ten tijde van de facturering al bekend was dat de facturen niet zouden worden voldaan. Dat is echter geen reden om de belasting niet aan te geven. Als blijkt dat de in rekening gebrachte vergoeding niet zal worden ontvangen, kan een verzoek om teruggaaf worden gedaan.
Volgens de rechtbank was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Als er door de creditnota al een recht op teruggaaf was ontstaan, was dat niet eerder dan in 2002 het geval.
Ook de boete was terecht opgelegd. Het staat een belastingplichtige namelijk niet vrij om eigenmachtig van de wet afwijkende voorzieningen te treffen.
Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de prestaties die zij verrichten, tenzij er een vrijstelling geldt voor de geleverde diensten of goederen. De berekende omzetbelasting moet periodiek worden aangegeven en betaald aan de belastingdienst, onder aftrek van de voorbelasting. Volgens de wet wordt de omzetbelasting verschuldigd op het moment dat de factuur wordt uitgereikt of op het moment waarop dit uiterlijk had moeten worden gedaan. Een factuur moet vóór de vijftiende dag na de maand, waarin de levering of dienst is verricht, worden uitgereikt.
Een BV verrichtte in 2001 managementdiensten. Op de facturen die de BV aan de opdrachtgever stuurde vermeldde zij omzetbelasting. De BV verwerkte deze omzetbelasting niet in de aangiften en betaalde deze ook niet aan de belastingdienst. Omdat de opdrachtgever de facturen niet kon betalen, stuurde de BV in 2002 een creditnota voor het bedrag van de managementvergoeding inclusief omzetbelasting. De omzetbelasting werd echter niet afzonderlijk op de creditnota vermeld. De BV en de opdrachtgever spraken af, dat de in de oorspronkelijke facturen genoemde bedragen verschuldigd bleven, maar dat pas nieuwe facturen zouden worden gezonden wanneer de opdrachtgever in staat zou zijn om de rekeningen te betalen.
De belastingdienst legde na een boekenonderzoek een naheffingsaanslag op en een boete van 25% van de nageheven belasting. De BV bestreed de naheffingsaanslag en de boete omdat de vorderingen door de creditering teniet waren gegaan en ten tijde van de facturering al bekend was dat de facturen niet zouden worden voldaan. Dat is echter geen reden om de belasting niet aan te geven. Als blijkt dat de in rekening gebrachte vergoeding niet zal worden ontvangen, kan een verzoek om teruggaaf worden gedaan.
Volgens de rechtbank was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Als er door de creditnota al een recht op teruggaaf was ontstaan, was dat niet eerder dan in 2002 het geval.
Ook de boete was terecht opgelegd. Het staat een belastingplichtige namelijk niet vrij om eigenmachtig van de wet afwijkende voorzieningen te treffen.